Klik nogmaals op de knop om de filters te resetten Sluiten

Arentsburg: de eerste Nederlandse opgraving

In 1818 werd onder koning Willem I het Rijksmuseum van Oudheden opgericht met als eerste directeur professor C.J.C. Reuvens (1793-1835). Behalve museumdirecteur was Reuvens ook de eerste hoogleraar archeologie ter wereld, verbonden aan de Leidse Universiteit. Begonnen met een bescheiden collectie klassieke beelden uit het bezit van de universiteit (legaat Papenbroek), wist Reuvens de verzameling van zijn museum al gauw uit te breiden door middel van aankopen, vooral afkomstig uit het buitenland. Als wetenschapper stoorde Reuvens zich er echter aan dat van de meeste van deze voorwerpen niet of nauwelijks bekend was onder welke omstandigheden ze gevonden waren. Vaak was niet eens bekend waar iets eigenlijk vandaan kwam. Hij liet zijn buitenlandse agenten (Humbert en Rottiers) wel zoveel mogelijk gegevens verzamelen over de gevonden voorwerpen, maar meestal was de informatie toch niet erg precies.

De aankoop van landgoed Arentsburg

In 1826 werd Reuvens er door een vriend op gewezen dat bij Voorburg, vlak bij Den Haag, het landgoed Arentsburg te koop werd aangeboden. Dit landgoed was gelegen aan de Vliet, het Rijn-Maas-kanaal tussen Leiden en Delft. Op deze plek waren in vroeger eeuwen bij zandafgravingen al verscheidene keren Romeinse vondsten gedaan, waaronder enkele votiefaltaren. In 1771 was er zelfs een meer dan levensgrote bronzen hand van een standbeeld gevonden. Deze plaats intrigeerde Reuvens dan ook danig. Hij zag zijn kans om eindelijk zelf een opgraving uit te voeren. Hij diende een verzoek in bij de koning en het ministerie van Binnenlandse Zaken om Arentsburg aan te kopen.

Aanvankelijk zag men er bij het ministerie niet veel in. Het uitvoeren van de opgravingen zou erg kostbaar worden. Van het geld dat de opgraving zou kosten, zou wel een gehele collectie aangekocht kunnen worden. En dat terwijl het alles behalve zeker was dat er ook daadwerkelijk iets gevonden zou worden dat de moeite waard was. Reuvens hield echter voet bij stuk en wees op de vondst van de bronzen hand en de mogelijkheid dat de rest van het beeld gevonden zou worden, wat een zeer bijzondere vondst zou zijn voor Nederland. Bovendien was men in het buitenland al enige tijd bezig met opgravingen. Nederland kon daar toch niet bij achterblijven? Wat zou men in het buitenland wel niet denken als hier een wetenschappelijke opgraving werd gedwarsboomd? Reuvens kreeg zijn zin: de staat kocht het landgoed aan en hij kreeg een opgravingsbudget van f 5000,- per jaar, in die tijd een behoorlijk bedrag.

Wat hoopte Reuvens eigenlijk precies te vinden op Arentsburg? Op basis van de Peutinger kaart, een middeleeuwse kopie van een laat-Romeinse wegenkaart, kwam hij tot de conclusie dat hier in Voorburg het Romeinse stadje Forum Hadriani moest hebben gelegen, de hoofdstad van de stam van de Cananefaten. Dit stadje lag aan het Kanaal van Corbulo, een in 47 n.Chr. gegraven kanaal, dat de voorloper van de Vliet was. Forum Hadriani was, naast Nijmegen, de enige plaats met stadsrechten in Romeins Nederland en er was een goede kans dat de stadsplattegrond nog goed bewaard was in de grond.

Het begin van de opgravingen

Na een drukke periode van voorbereidingen begon Reuvens in de zomer van 1827 met de opgravingen in de tuin van Arentsburg. Gedurende het opgravingsseizoen woonde hij met zijn vrouw en kinderen op Arentsburg. Hij huurde een aantal werklieden uit de omgeving in. Hij gaf daarbij de voorkeur aan vaders van grote gezinnen, omdat hij dacht dat die voldoende verantwoordelijkheidsgevoel bezaten om op een goede manier hun werk te doen. Behalve de volwassen werkmannen liepen er op de opgraving jongens rond die de storthopen moesten napluizen op vondsten, en meisjes om de vondsten te wassen. Verder had Reuvens enkele tekenaars in dienst, die in het museum en op de opgraving hun opleiding kregen.

Omdat Reuvens nog nooit eerder een opgraving had geleid en er vanuit het buitenland ook niet veel bekend was over opgravingstechnieken, moest hij zijn methoden zelf ontwikkelen. In het begin ging het werk daardoor nog wat onhandig, met als gevolg dat soms later bleek dat hij belangrijke informatie gemist had. Hij begon de opgraving in het zogenaamde bos, een deel van de tuin dat in landschapsstijl was aangelegd. Hier ergens zou de bronzen hand gevonden zijn.

Er moesten allereerst flink wat bomen geveld worden, iets waar de buurman, jonkheer H.J. Caan van het landgoed Hoekenburg, bepaald niet blij mee was. Hij protesteerde tegen het feit dat zijn uitzicht er sterk op achteruit zou gaan. Jonkheer Caan zorgde ook in andere zaken voor veel vertraging van de opgraving.

Toen Reuvens eenmaal een goede opgravingsmethode had gevonden, vergrootte hij het aantal werklieden, totdat er op het hoogtepunt van de opgraving circa 60 man aan het werk waren (het graafwerk moest destijds allemaal met de hand worden gedaan). Om te voorkomen dat de mannen verleid zouden worden om vondsten mee te nemen en te verkopen, gaf Reuvens de werklieden voor iedere vondst een beloning. Daardoor deden ze hard hun best om zoveel mogelijk naar boven te halen en was er geen verleiding om vondsten te stelen.

De vondsten

In de opgravingsputten kwamen overal stenen fundamenten van Romeinse gebouwen te voorschijn. Reuvens liet zijn tekenaars een plattegrond maken van deze fundamenten. Een van de eerste gebouwen die hij vond, was een groot gebouw waarvan een gedeelte van de kamers voorzien was van vloerverwarming, een hypocaustum. Dit houdt in dat er een verhoogde vloer was aangebracht in deze kamers die rustte op bakstenen zuiltjes. Vanuit een stookruimte werd er warme lucht onder de vloer door geleid. Via kanalen in de muren werd de lucht afgevoerd naar buiten. Reuvens concludeerde hierop dat hij een badgebouw had gevonden, of op zijn minst het huis van een rijk man met eigen badvertrekken.

Hij vond ook een stenen keldertje met een put in de hoek. Uit dit keldertje kwamen enkele interessante vondsten naar boven, waaronder een aantal munten en een bronzen beeldje van een hazewindhond. Niet ver daar vandaan trof hij een grote vierkante houten waterput aan. De vondsten die hieruit kwamen, vond hij zeer verbazingwekkend. De gevonden metalen voorwerpen verkeerden nog in uitstekende staat, doordat ze al die tijd onder het grondwaterniveau hadden gelegen en er kwam zelfs een leren schoen uit de put. Daarvan vroeg Reuvens zich eerst af of misschien n van zijn werklieden een schoen verloren had, maar al gauw bleek dat het werkelijk een Romeinse schoen moest zijn.

Reuvens liet ook enkele proefputten graven aan de rand van het landgoed, tegen de openbare weg aan. Hier vond hij de restanten van een dikke stenen muur, die hij beschouwde als een ringmuur.

De opgraving liep door tot het begin van de herfst en werd in de zomer van het volgende jaar, 1828, voortgezet. Een spectaculaire vondst van dat jaar was de ontdekking van een geraamte midden tussen twee gebouwen. Reuvens liet het skelet onderzoeken door de Leidse anatoom G. Sandifort, die concludeerde dat het ging om de resten van een jonge vrouw. Op het skelet werden een armband en enkele fibula’s (mantelspelden) aangetroffen waaruit bleek dat het skelet uit de Romeinse tijd moest dateren. De plek en manier van begraven deden echter erg vreemd aan. De Romeinen cremeerden hun doden namelijk meestal in plaats van hen te begraven. Bovendien lagen de Romeinse begraafplaatsen altijd buiten een stad, niet er middenin. Tegenwoordig denken we dat het een soort noodbegraving is geweest uit de tijd van de Germaanse invallen aan het einde van de 3de eeuw n.Chr. Reuvens vond de vondst van het skelet zo bijzonder dat hij er een gipsafdruk van liet maken, waarvan hij kopien naar verschillende buitenlandse instituten zond.

Problemen

Omdat het werk door verschillende oorzaken behoorlijke vertraging had opgelopen, wilde Reuvens ook in 1829 verder gaan met graven, maar het ministerie vond het zo langzamerhand te duur worden en wilde dat de opgraving stilgelegd zou worden. Reuvens wist de koning ervan te overtuigen dat hij op zijn minst in staat gesteld moest worden om de opgraving goed af te ronden. Bovendien wilde hij dat de opgraving nog een tijd toegankelijk zou blijven voor bezoekers. In de volgende jaren ging hij dus verder met het blootleggen van de gevonden gebouwen. Bovendien groef hij een aantal kleine putten in een ander gedeelte van de tuin, dichter bij het huis, waar hij nog meer fundamenten vond, die echter minder samenhangend leken te zijn dan de eerder gevonden resten.

Reuvens wilde ook graag nog verder graven op een aangrenzend weiland van buurman Caan, omdat hij geloofde dat het gevonden badgebouw daar doorliep. Caan werkte echter wederom tegen, zodat daar vrijwel niets van terechtkwam.

Omdat het ministerie vond dat het allemaal te lang ging duren, moest Reuvens ieder jaar veel moeite doen om nog een klein beetje geld te krijgen voor zijn onderzoek. Hij kon daardoor nog maar een paar werklieden in dienst houden en het onderzoek bleef dan ook erg beperkt. En van de redenen dat het ministerie zo terughoudend werd met het verstrekken van geld, was de uitbraak van de Belgische Opstand in 1830. De koning had veel geld nodig om zijn troepen te betalen.

De regering wilde Arentsburg verkopen en begon onderhandelingen met jonkheer Caan, die erg genteresseerd was om het landgoed te kopen. Deze onderhandelingen duurden echter eindeloos en verhinderden Reuvens om in de tussentijd nog meer op te graven, waar hij zich zeer aan ergerde. Uiteindelijk liepen de onderhandelingen op niets uit en werd in 1834 besloten om het landgoed door middel van een veiling te verkopen. En de nieuwe eigenaar van Arentsburg werd niemand minder dan jonkheer Caan.

Voorbereidingen voor een boek

Tijdens het verloop van de opgravingen had Reuvens twee maal een kort verslag gepubliceerd in de Staatscourant. Tevens had hij een soort bezoekersgidsje met een plattegrond laten drukken, zowel in het Nederlands als in het Frans. Hij was bezig met de voorbereidingen voor een publicatie over Arentsburg. Uiteindelijk besloot hij dat hij niet voldoende informatie had verkregen uit de opgravingen om er een heel boek over te schrijven. In plaats daarvan wilde hij een overzichtswerk publiceren over de Romeinse vindplaatsen in Nederland.

Helaas werd Reuvens op de terugweg van een reis naar Londen getroffen door een beroerte. Hij overleed kort daarna, op 26 juli 1835, in een ziekenhuis in Rotterdam.

Het vervolg

Reuvens’ assistent en opvolger als directeur van het museum, Conrad Leemans, heeft enige jaren later wel een overzicht gepubliceerd van Romeinse vindplaatsen in Nederland, maar de aantekeningen over Arentsburg zijn lange tijd ongebruikt blijven liggen. Totdat een latere directeur van het museum, J.H. Holwerda, in 1908 begon met nieuwe opgravingen op het naastgelegen landgoed Hoekenburg. In 1923 bracht hij een boek uit met zijn conclusies uit de gezamenlijke opgravingen van Reuvens en hemzelf. Holwerda was van mening dat Reuvens ongelijk had met zijn theorie dat op deze plaats het stadje Forum Hadriani had gelegen. Volgens hem ging het hier om een militair vlootstation. In de jaren ’60 kwam J.E. Bogaers, verbonden aan de universiteit van Nijmegen, er achter dat Holwerda’s interpretaties niet klopten en dat Forum Hadriani wl op deze plaats gelegen moest hebben. Reuvens kreeg uiteindelijk dus toch gelijk. Sinds het begin van de jaren 80 wordt het gebied, waar nu een park ligt met een woonwijk, in de gaten gehouden door de Archeologische Werkgroep Leidschendam-Voorburg, een plaatselijke amateurvereniging. Er zijn nog enkele kleinschalige opgravingen gedaan op het terrein, dat tegenwoordig een beschermd archeologisch monument is.

Nederland in de Romeinse tijd | Relevante voorwerpen

Bezoek ons: