Klik nogmaals op de knop om de filters te resetten Sluiten

Inleiding Nederland in de Romeinse tijd

1. Geschiedenis

1.1 Van prehistorie naar protohistorie

Gedurende de eerste eeuwen van de jaartelling heeft de zuidelijke helft van Nederland deel uitgemaakt van het Romeinse rijk. Zijn grootste omvang bereikte het rijk in de tweede eeuw na Chr.: het strekte zich uit van Britanni in het westen tot aan de Eufraat en de Tigris in het oosten en van de Rijn en de Donau in het noorden tot aan de Sahara in het zuiden. Terwijl de inheemse bevolking hier tot dan toe had geleefd in de prehistorie, ging zij opeens deel uitmaken van een wereldrijk met een hoogstaande beschaving. Geletterde Romeinen bezochten Nederland en Romeinse schrijvers zoalsPliniusde Oudere en Tacitus beschreven het land, de mensen die er woonden en hun gewoonten. Zo zijn de namen overgeleverd van volksstammen die in de Romeinse tijd in Nederland woonden en de namen van forten en stedelijke nederzettingen. Ook historische feiten, zoals de opstand der Bataven, zijn op die manier vastgelegd. Met de komst van de Romeinen begint voor Nederland de protohistorie, het tijdvak waaruit voor een bepaald gebied wel contemporaine schriftelijke bronnen bestaan maar niet voldoende om er de geschiedenis van dat gebied mee te schrijven.

1.2 Romeinse veroveringen

In de jaren 58-50 v.Chr. had de Romeinse veldheer Gaius Julius Caesar heel Galli veroverd. Zijn adoptiezoon Augustus, de eerste Romeinse keizer, was van plan de verovering in noordoostelijke richting voort te zetten tot aan de Elbe. Hij wilde het rijk uitbreiden met de provincie Germani. In het jaar 12 v.Chr. liet hij de Romeinse legioenen Nederlands grondgebied binnentrekken. Onder leiding van Drusus, de stiefzoon van Augustus, werd te Nijmegen, in het woongebied van de Bataven, een groot legerkamp aangelegd. Aanvankelijk verliep de operatie naar wens: de Friezen, een volksstam in Noord-Nederland, werden onderworpen, evenals de Chauken in het aangrenzende Noordduitse kustgebied. Maar in het jaar 9 na Chr. leden de Romeinen een grote nederlaag in het Teutoburger Wald, net over de grens bij Oldenzaal. De Germaanse hoofdman Hermann, door de Romeinen Arminius genoemd, versloeg daar met zijn troepen de Romeinse veldheer Varus met drie legioenen en zes toegevoegde infanterie-eenheden, een legermacht van in totaal bijna 20.000 man.

1.3 De Rijn als noordgrens

Hoewel nog militaire bases te Vechten (gem. Bunnik) en Velsen (in het gebied van de West-Friezen) werden aangelegd, volgde geen groot offensief meer. De zaak werd een beetje op zijn beloop gelaten. Pas ten tijde van keizer Claudius(41-54 na Chr.) werd besloten definitief af te zien van de verovering van Germani. De Rijn werd ingericht als noordgrens van het Romeinse rijk. Langs deze rivier – in West-Nederland is dat de huidige Oude Rijn – werd een keten van forten (castella) aangelegd. Op Nederlands grondgebied lagen er ongeveer twintig, elk met een capaciteit voor het herbergen van maximaal 600 soldaten.

1.4 Bataafse opstand

Geheel zonder slag of stoot verliep de inlijving van zuidelijk Nederland niet. In het jaar 69 na Chr., toen in Rome een burgeroorlog woedde na de moord op keizer Nero, brak hier te lande een gevaarlijke opstand uit onder leiding van Iulius Civilis, de hoofdman van de Bataven. Een goed georganiseerde troepenmacht van Bataven, Cananefaten en Friezen plunderde alle Romeinse forten en brandde ze plat. Maar zo gemakkelijk als de Romeinen de Elbe als rijksgrens hadden opgegeven, gaven ze de Rijn niet op. In 70 na Chr. werd de opstand neergeslagen door een Romeinse overmacht van acht legioenen, zo’n 40.000 man.

1.5 De midden-Romeinse periode (ca. 70-270 na Chr.)

Na het neerslaan van de opstand der Bataven, werden de Romeinse forten weer opgebouwd. Bovendien werd te Nijmegen, de brandhaard van het Bataafse verzet, een legioenskamp (castra) aangelegd dat plaats bood aan 5000 soldaten. Hier werd het tiende legioen, de legio decima gemina, ondergebracht. Al spoedig was de rust weergekeerd en kon de aanpassing van de inheemse bevolking aan de Romeinse wetten en gewoonten goed op gang komen. Het betekende vooral dat de bevolking zich had neergelegd bij de opgelegde belastingen en dienstplicht.

Aan het begin van de tweede eeuw was de toestand zo stabiel dat het tiende legioen Nijmegen weer verliet. In 104 na Chr. werd het naar Boedapest overgeplaatst. Na de ontmanteling van de legerplaats werd de stedelijke ontwikkeling van Nijmegen gestimuleerd. Ulpia Noviomagus, zoals de stad in de Romeinse tijd heette, kreeg marktrecht en later in de tweede eeuw zelfs de status van municipium, dat is een stad met stadsrechten waarvan de inwoners burgerrecht hadden. In het algemeen kan deze periode worden gekarakteriseerd als bloeitijd.

1.6 De laat-Romeinse periode (ca. 270-405 na Chr.)

Aan de bloeitijd kwam in de loop van de derde eeuw een einde. Grote volksverhuizingen vanuit het noorden van Germani stuwden de volksstammen langs de grens op. Daarbij ontstond na de dood van Severus Alexander (235 na Chr.), de laatste keizer van de Severische dynastie, grote en langdurige politieke onrust in het hele Romeinse rijk. Na herhaalde invallen trokken rond 270 na Chr. overal Germaanse stammen de grens over. Ze brandden de forten plat, plunderden het platteland en de steden.

Hoewel de orde tegen het einde van de derde eeuw officieel weer hersteld heette te zijn, bleef het onrustig. De meeste grensforten werden na 270 niet meer opgebouwd. De overheid stond toe dat Germaanse volksstammen, zoals de Franken, zich op Romeins grondgebied vestigden in ruil voor hulp bij de grensverdediging. Duidelijke aanwijzingen voor Romeinse militaire aanwezigheid op Nederlands grondgebied zijn er eigenlijk alleen in het zuidoosten.

De genadeslag kwam in 406 na Chr., toen Germaanse stammen opnieuw massaal de noordwestgrens van het Romeinse rijk overtrokken. De nog aanwezige Romeinse troepen werden teruggetrokken. Onze streken werden aan hun lot overgelaten. Schriftelijke bronnen over de dan volgende periode ontbreken.

2. Het landschap

Evenals in de prehistorie had het water van zee en grote rivieren in de Romeinse tijd vrij spel. Het land was onbedijkt. Langs de westkust strekte zich een lage duinenrij uit. De mondingen van de Schelde, de Maas en de Waal en de Oude Rijn braken hier doorheen. De Schelde stroomde ongeveer via de huidige Oosterschelde in zee uit, de Oude Rijn, destijds de belangrijkste tak van de Rijn, mondde bij Katwijk in zee uit en de Maas en Waal tezamen bij Rotterdam. Hun mondingsgebied wordt door de Romeinse geschiedschrijver Tacitus omschreven als immensum os, een geweldig grote monding. Andere bronnen noemen dit mondingsgebied ‘Helinium’.

In het midden en oosten van Nederland lagen de hoge gronden. Het gebied tussen deze zone en de lage duinen lag beneden de zeespiegel en bestond vooral uit veengronden, die overigens hier en daar bewoonbaar waren, getuige de resten van nederzettingen uit de Romeinse tijd die er zijn teruggevonden. Ook de oeverwallen van de rivieren en kreken die door het veen stroomden waren bewoond. Het noorden van Nederland vormde een kwelderlandschap dat herhaaldelijk onder water liep. De bewoners van het gebied leefden op terpen, een fenomeen dat de Romeinen totaal onbekend was en waarover de Romeinse schrijver Plinius dan ook zijn verbazing uitsprak. In de tweede helft van de derde eeuw na Chr. werden de lager gelegen gebieden steeds drassiger en uiteindelijk onbewoonbaar door een stijging van de zeespiegel, een z.g. transgressiefase.

3. Noord-Nederlandse ontwikkelingen

De nabijheid van het Romeinse rijk had grote invloed op de aangrenzende gebieden in het vrije Germani. Tussen de stamhoofden en de Romeinse overheid ontstonden vriendschappelijke betrekkingen die er bijvoorbeeld toe leidden dat de Friezen soms manschappen leverden als hulptroepen voor de Romeinse legioenen. Daarnaast bestonden er veel handelscontacten. Bij opgravingen van nederzettingen in de noordelijke helft van Nederland komen Romeinse gebruiksvoorwerpen, of resten daarvan, aan het licht.

Toch behield de bevolking hier veel sterker dan in het zuidelijke deel van Nederland zijn inheemse karakter. Het Romeinse bestuurssysteem, met opgelegde belastingen en dienstplicht, werd hier immers niet ingevoerd. De verschijnselen fort, stad en villa rustica drongen hier niet door. Romeinse gebruiksvoorwerpen deden in veel mindere mate hun intrede dan in de zuidelijke helft van Nederland. De bevolking bleef vrijwel uitsluitend het inheemse, handgevormde aardewerk gebruiken en het gebruik van Romeins aardewerk bleef incidenteel. Het belangrijkste middel van bestaan was de landbouw. Voor de bewoners van de klei- en veengebieden was dat vooral veeteelt, voor de bewoners van de hoge gronden vooral akkerbouw. Daarbij heeft ongetwijfeld uitwisseling van goederen tussen de bewoners van beide milieus plaatsgevonden.

4. Zuid-Nederlandse ontwikkelingen

In de zuidelijke helft van Nederland was de Romeinse invloed natuurlijk veel groter aangezien dit gebied deel ging uitmaken van het Romeinse rijk. Alle inwoners merkten dat, alleen al door de opgelegde belastingen en de dienstplicht. Voor een groot deel van de bevolking veranderde er verder niet zoveel. Landbouw bleef hun belangrijkste middel van bestaan en de boeren bleven die uitoefenen op de wijze van hun voorvaders, op boerderijen zoals die van hun voorvaders. Alleen het gebruik van ‘nieuwe’ gebruiksvoorwerpen verried de tijdsperiode. Bij opgravingen zijn Romeinse gebruiksvoorwerpen voor de opgravers meestal het eerstaangewezen middel om vast te stellen dat een nederzetting uit de Romeinse tijd dateert.

Maar naast de traditionele inheemse nederzettingen ontstonden ook grootschalige landbouwbedrijven, villae rusticae, en stedelijke nederzettingen (vici), die soms uitgroeiden tot steden (municipia). Bovendien waren er de Romeinse forten langs de grens als nieuw fenomeen en niet te vergeten het uitgebreide wegennet. Daarnaast traden veranderingen op in de religieuze aangelegenheden en ten aanzien van het dodenbestel. Via het leger maakten jonge mannen kennis met de Latijnse taal en cultuur. Een deel van de bevolking leerde zo de Latijnse taal spreken en schrijven. De genoemde aspecten komen hieronder kort aan de orde.

4.1 Het leger

Het Romeinse leger was uitstekend georganiseerd. De kern werd gevormd door de legioenen. Een legioen bestond uit 4800 infanteristen, aangevuld met 120 cavaleristen. Het had de beschikking over ca. 60 stukken geschut: catapultae (die pijlen schoten) en ballistae (die stenen schoten). De legionairs moesten het Romeinse burgerecht bezitten, zij tekenden voor 20 jaar. Mannen uit de provincie die geen burgerrecht hadden, namen dienst in de hulptroepen (auxilia), als infanterist bij een cohors of als cavalerist bij een ala. Na beindiging van hun diensttijd van 25 jaar, kregen zij en hun gezin het Romeinse burgerrecht. Met deze verworvenheid konden hun zoons dienst nemen in het legioen en daar carrire maken. Zo konden uiteindelijk ook families uit een verre uithoek van het Romeinse rijk een Romeins hoogwaardigheidsbekleder of zelfs een keizer voortbrengen. Een mooi voorbeeld is Postumus die in de woelige tijden na de dood van Severus Alexander, tussen 259 en 268 na Chr. in het westen optrad als tegenkeizer. Hij was waarschijnlijk van Bataafse afkomst omdat hij op zijn munten Hercules Magusanus, de hoofdgod van de Bataven liet slaan.

Op Nederlands grondgebied lag de troepenmacht, bestaande uit cohortes en alae, voornamelijk gelegerd in de grensforten, ongeveer twintig in getal. Een fort had een standaardcapaciteit van ca. 600 man. Maar elk fort heeft verschillende bouwfasen en de bezettingsgraad varieerde per bouwfase. Een Romeins fort is vierkant van vorm, omgeven door een aarden wal met palissades of een ommuring en greppels. Het fort is planmatig aangelegd en wordt doorsneden door twee hoofdwegen die loodrecht op elkaar staan. Midden in het fort ligt het hoofdkwartier (principia). Voorts bevinden zich in het fort de soldatenbarakken, stallen, de woning van de commandant, graanpakhuizen (horrea), een ziekenboeg (valetudinarium) en terreinen voor ruitertoernooien (hippica gymnasia).

Te Valkenburg (Z.H.) zijn sedert de veertiger jaren opgravingen verricht waarbij resten zijn teruggevonden van een Romeins fort dat ca. 40 na Chr. is gesticht en heeft bestaan tot ca. 250 na Chr. In die tijd is het vijf keer herbouwd. De plattegrond van het fort is in elke bouwfase goed te reconstrueren. Tussen ca. 40 en 69 na Chr. bestond de bezetting uit de cohors III Gallorum equitata, de derde afdeling bereden infanterie van de Gallirs.

4.2 Infrastructuur

De Romeinen zorgden voor een goede infrastructuur door de aanleg van een uitgebreid wegennet en de bouw van bruggen zodat troepenverplaatsingen en bevoorrading snel konden plaatsvinden. In ons land waren de wegen meestal verharde grintbanen met aan weerskanten bermsloten. Erlangs stonden mijlpalen waarop de reiziger de afstand tot de dichtstbijzijnde stad kon lezen en de naam van de keizer tijdens wiens regering het wegdeel was aangelegd of vernieuwd. Langs de wegen stonden herbergen ( mansiones) waar tevens de paarden gewisseld konden worden. Goederentransport gebeurde meestal over het water. Dat was goedkoper en leverde minder kans op breuk. Rivieren werden daartoe beveiligd en gekanaliseerd en er werden havens aangelegd of ten minste goede aanlegplaatsen.

Een belangrijke bron voor de topografie van het Romeinse rijk is de z.g. Tabula Peutingeriana, een 13de-eeuwse kopie van een Romeinse wegenkaart uit de derde eeuw na Chr. Op de kaart staan plaatsnamen en wegen met daarbij de afstanden tussen de plaatsen. Veel namen kunnen verbonden worden met opgegraven nederzettingen en forten, bijvoorbeeld Noviomagus met de Romeinse nederzetting te Nijmegen.

4.3 Bestuurlijke organisatie

Nederland bezuiden de Rijn werd bestuurlijk opgenomen in de provincie Germania Inferior. De hoofdstad van deze provincie was Keulen, destijds Colonia Claudia Ara Agrippinensium geheten. De provincie was verdeeld in kleinere bestuurlijke eenheden, de civitates, elk met een eigen bestuurscentrum. Deze civitates vielen meestal samen met het territorium van een inheemse volksstam. De bekendste civitates op Nederlands grondgebied waren die der Bataven en der Cananefaten met respectievelijk Nijmegen, Ulpia Noviomagus, en Voorburg, Forum Hadriani, als hoofdstad. De stad werd bestuurd door een college van raadsheren (decuriones) die uit hun midden de magistraten kozen voor het dagelijks bestuur. Het college van decuriones bestond uit de locale elite, die aanvankelijk werd gevormd door de inheemse stamhoofden en hun families.

4.4 Het Latijn

Bij een bestuurlijke organisatie zoals de Romeinen die in ons land invoerden, was de beheersing van een taal in woord en geschrift onontbeerlijk. De Romeinen introduceerden daartoe hun eigen taal, het Latijn. Talrijke Latijnse inscripties die in Nederland zijn teruggevonden, tonen aan dat een deel van de bevolking het Latijn in woord en geschrift beheerste. Voor een bestuurlijke carrire of een carrire in het leger was beheersing van het Latijn in woord en geschrift trouwens onontbeerlijk. Op lager niveau merkten soldaten eigendommen door er hun naam en legeronderdeel in te krassen. En er vond ook briefwisseling plaats. Bij de opgravingen van het Romeinse fort te Valkenburg (Z.H.) zijn houten ‘brieven’ tevoorschijn gekomen. Dergelijke brieven bestonden uit twee schrijfplankjes, met een touwtje op elkaar gebonden en verzegeld. Op de buitenkant stond de adressering. Bij twee Valkenburgse schrijfplankjes is de adressering nog leesbaar.

4.5 Economie: landbouw

Landbouw was ook in de Romeinse tijd de basis van het bestaan. De akkerbouw leverde broodtarwe, spelt, emmer en gerst, waarvan pap en brood werden gemaakt. De veestapel omvatte runderen, schapen, geiten, varkens en kippen en leverde naast vlees ook producten als melk, kaas, leer, wolen eieren. De inheemse boerennederzettingen waren gericht op zelfvoorziening, ze konden niet genoeg surplus leveren om te voldoen aan de grote vraag naar levensmiddelen vanuit de forten en stedelijke nederzettingen. Daarom werd door de Romeinse overheid het ontstaan van z.g. villae rusticae gestimuleerd, grootschalige boerenbedrijven die in het eerder geromaniseerde Galli reeds bestonden. De meeste villae rusticae ontstonden in Brabant en Limburg.

Een voorbeeld van een inheemse boerennederzetting is eind zestiger jaren opgegraven te Rijswijk (Z.H.). Aan het begin van de derde eeuw na Chr. stond hier een groepje van drie traditionele, drieschepige boerderijen, gemaakt van houten staanders die het rieten dak droegen, de muren van vlechtwerk, aangesmeerd met leem. Een van die boerderijen had een stenen aanbouw met vloerverwarming, verstevigde muren gedecoreerd met wandschilderingen en een pannendak, een uitzonderlijke luxe voor een inheemse boerderij.

Een voorbeeld van een middelgrote villa rustica is eind jaren dertig opgegraven te Nuth-Vaasrade. De villa had stenen fundamenten, vakwerkmuren, een pannendak en een vertrek dat was uitgerust met vloerverwarming en wandschilderingen. Kenmerkend zijn verder de uitspringende vertrekken op de hoeken en de zuilengang langs de voorgevel, die de beide uitspringende vertrekken met elkaar verbindt.

4.6 Economie: handel

Belangrijke succesfactoren voor de handel zijn geld en een goed systeem van maten en gewichten. De Romeinen introduceerden beide in ons land. De Romeinse overheid liet gouden, zilveren en koperen munten slaan die in het hele rijk als betaalmiddel dienden. De rekeneenheid was de as, zoals bij ons de gulden. Meeteenheid bij het wegen was de pond (libra). De Romeinen gebruikten voor het wegen meestal de unster, een weegschaal met ongelijke armen en een lopend gewicht. De Romeinse lengtemaat was de voet (pes). De overheid zorgde ervoor dat maatstokken en weegschalen regelmatig werden geijkt. Hoewel de Romeinse economie een geldeconomie was, kwamen betaling in producten en ruilhandel ook voor, zeker op het platteland.

De meeste handel werd gedreven op markten, in goederen uit de directe omgeving. Maar er bestond ook handel in producten uit andere delen van het Romeinse rijk die floreerde dankzij de veiligheid binnen het rijk en de goede (water) wegen en havens. Een belangrijke haven heeft in de Romeinse tijd gelegen bij Colijnsplaat aan de Oosterschelde. Ter plekke werden uit die rivier veel altaren opgevist, afkomstig van een heiligdom dat daar in de Romeinse tijd op de oever van de Oosterschelde heeft gestaan. De altaren zijn alle gewijd aan de godin Nehalennia door handelaren en zeelieden, die vaak, behalve hun naam, ook hun beroep op het altaar vermeldden, bijvoorbeeld zouthandelaar en hun herkomst, bijvoorbeeld Keulen. De stedelijke nederzettingen dankten hun ontstaan meestal aan een strategische ligging, bijvoorbeeld op een kruispunt van belangrijke wegen, of aan de nabijheid van een militair fort. Sommige van deze nederzettingen groeiden uit tot stadjes, vici. Een goed voorbeeld is Heerlen, gelegen op het kruispunt van de weg van Boulogne, aan de Franse westkust, naar Keulen, met de weg van Xanten, aan de Rijn gelegen, naar Aken. Heerlen was in de Romeinse tijd een welvarend stadje, Coriovallum genaamd. Twee steden op Nederlands grondgebied kregen in de tweede eeuw na Chr. officieel marktrecht en de status van municipium: Nijmegen, Ulpia Noviomagus en Voorburg, Forum Hadriani. Beide steden waren tevens de bestuurscentra van belangrijke civitates, Nijmegen was het bestuurscentrum van de civitas Batavorum, Voorburg van de civitas Cananefatium. De aanleg van deze beide steden werd door de Romeinse overheid sterk gestimuleerd. Hoewel opgravingen, vanwege de moderne bebouwing, slechts hier en daar konden plaatsvinden, lijken beide steden gekenmerkt te worden door de planmatige opbouw die Romeinse steden eigen is, met in het centrum de voornaamste openbare gebouwen, zoals het stadhuis (curia), de belangrijkste tempel (capitolium), de markthal (basilica) en het marktplein (forum).

4.7 Ambacht en industrie

De meeste producten, zoals schoenen en gebruiksvoorwerpen van metaal en been, werden, net als voorheen, op ambachtelijk niveau gemaakt. Spinnen en weven bleven een huiselijke bezigheid; van textielindustrie was nog geen sprake.

De introductie van de snelle pottenbakkersschijf maakte evenwel aardewerkindustrie mogelijk. Het ambachtelijke, handgevormde aardewerk dat de bevolking gebruikte voor de komst van de Romeinen werd er geleidelijk geheel door verdrongen. Het op de draaischijf vervaardigde, Romeinse aardewerk werd seriematig, in veel kortere tijd gemaakt. Het was daardoor goedkoper dan het inheemse. Bovendien was het sterker doordat het in een oven werd gebakken bij een temperatuur van ca. 900 C, in tegenstelling tot het inheemse aardewerk dat in open vuur bij een veel lagere temperatuur was gebakken en dat daardoor bros bleef. Ambacht en industrie werden zowel op het platteland als in de stedelijke nederzettingen bedreven.

4.8 Dagelijks leven

Op het platteland werd het dagelijks leven bepaald door het ritme der seizoenen en het werk op het land. Archeologisch onderzoek toont aan dat de enige luxe meestal bestaat uit het bezit van Romeinse gebruiksvoorwerpen, zoals vaatwerk en kledingaccessoires. Een vertrek in Romeinse stijl, met vloerverwarming en gedecoreerde wanden, moet voor de meeste plattelandbewoners wel het summum van luxe zijn geweest.

Meer luxe waren de eigenaren van de villae rusticae gewend. Meestal behoorde tot het villa-complex een badgebouw. Het bestond uit een aantal vertrekken met baden van verschillende temperatuur, een zweetruimte en kleedruimtes. Vloerverwarming (hypocaustum), zorgde ervoor dat de vertrekken een aangename temperatuur hadden. Bij het baden hoorde uitgebreide lichaamsverzorging. Daarvan getuigen vondsten zoals parfumflesjes, manicuresets, wasbekkens, badschalen en badschrapers (strigiles), die dienden om de olie waarmee men het lichaam insmeerde voor het baden, er naderhand weer af te schrapen. Niet alleen de villae rusticae beschikten over badgebouwen (thermae), ook bij de militaire forten en in de stedelijke nederzettingen waren ze te vinden. De fraaiste resten op Nederlands grondgebied zijn teruggevonden te Heerlen, het Romeinse stadje Coriovallum.

4.9 Leven na de dood

In de Romeinse tijd werd zowel lijkbegraving als crematie toegepast. De stoffelijke resten werden bijgezet in een kuil, soms in een sarcofaag, die aan de oppervlakte meestal gemarkeerd was, soms met een grafsteen. Enkele tientallen grafstenen uit de Romeinse tijd zijn bewaard gebleven. Volwassenen werden meestal gecremeerd, zuigelingen en jonge kinderen begraven. De doden werden bij elkaar op een grafveld langs een van de uitvalswegen van de nederzetting begraven. De overledenen kregen allerlei geschenken mee voor de reis naar het dodenrijk en het verblijf aldaar: vaatwerk gevuld met voedsel en drank en persoonlijke bezittingen. Naarmate de overledene rijker was, waren zijn grafgiften kostbaarder en overvloediger. De rijkste graven worden aangetroffen in de buurt van stedelijke nederzettingen en villa’s. Zuigelingen en jonge kinderen kregen soms kenmerkende grafgiften mee: een zuigflesje of miniatuur vaatwerk. De meeste gave voorwerpen die uit de Romeinse tijd bewaard zijn gebleven zijn afkomstig uit graven. Als een voorwerp niet opzettelijk in de grond werd gestopt als grafgift, kwam het immers pas in de grond terecht als het stuk gegaan was, als afval.

4.10 Religie

De Romeinen waren over het algemeen verdraagzaam tegenover de vele godsdiensten in hun grote rijk. In Nederland werden Romeinse goden zoals Mars, Minerva en Mercurius vereerd, maar ook inheemse zoals Viradecdis, Sandraudiga, Exomna en Nehalennia. Het zijn meestal vrouwelijke godheden, die als ze afgebeeld zijn het uiterlijk hebben van moedergodinnen. Namen van Romeinse goden werden vaak toegevoegd aan die van de inheemse waarmee ze overeenkomsten vertoonden. Zo ontstaan namen als Hercules Magusanus en Mercurius Arvernus. De Romeinse geschiedschrijver Tacitus noemt dit interpretatio romana. Enkele honderden wijaltaren die de naam van de vereerde godheid vermelden, getuigen van de verschillende goden die in Nederland vereerd werden. De goden werden vereerd in tempels. In Nederland waren de tempelgebouwen van het Gallo-Romeinse type, een vierkant gebouw met zadeldak en zuilenomgang dat in Galli is ontstaan. De fundamenten van zo’n tempel zijn opgegraven onder de kerk van Elst (Gld.).

In de vierde eeuw na Chr. drong het Christendom door tot in onze streken. In de geschreven bronnen van die tijd worden Keulen, Tongeren en Maastricht als bisschopsresidenties genoemd. Christelijke symbolen, zoals het Christusmonogram, op gebruiksvoorwerpen vormen de materile getuigen.

Nederland in de Romeinse tijd | Relevante voorwerpen

Bezoek ons: