Klik nogmaals op de knop om de filters te resetten Sluiten

Madelinus-munt

Kleingeld werd na het vertrek van de Romeinen uit Nederland niet langer gebruikt. De Byzantijnse en Romeinse gouden munten, zoals de solidi, bleven nog wel bestaan, maar niet langer als betaalmiddel. Ze werden nu onderdeel van de kostbare geschenken die de diplomatieke relaties moesten smeren. Naast de solidi bleven ook de gouden tremissis of trins (= 1/3 solidi) voor dit doel in gebruik. Vooral de tremisses werden in het Frankische rijk in de 6de eeuw nagemaakt. Vaak werd de naam van de Frankische koning op de munten geplaatst. Vanaf het einde van de 6de eeuw werd het mode om op de voorzijde van de munt de plaats van aanmaak te vermelden en op de keerzijde de naam van de monetarius, de muntmeester.

Ook in onze streken werden in de Merovingische tijd munten geslagen. Dit gebeurde onder meer in Maastricht, Namen, Dinant, Kamerijk, Tiel en Nijmegen. De afgebeelde munt is tussen 625 en 650 geslagen in Dorestad, de vroeg-middeleeuwse nederzetting bij Wijk bij Duurstede. De monetarius die op de munt van Dorestad vermeld wordt, is Madelinus. Vandaar dat dergelijke munten wel bekend staan onder de naam Madelinus-munten.

Muntmeester Madelinuswas oorspronkelijk werkzaam in Maastricht. In deze stad werden kort voor 600 reeds munten geslagen. In een schatvondst van Escharen (datering rond 600) bevinden zich al munten uit deze plaats. Ook de goudschat van Wieuwerd bevat munten uit Maastricht. De muntslag lijkt er rond het midden van de 7de eeuw op te houden, terwijl die in Dorestad juist rond 635-640 begint. Dat kan samenhangen met het toenemende belang van de Rijn als handelsroute. De Madelinus-munten van Dorestad behoren tot de meest voorkomende Merovingische munten. Ze zijn in de loop der tijd nagemaakt, vooral in het gebied dat beheerst werd door de Friezen. Daarbij nam het goudgehalte voortdurend af. Vanaf ca. 670 werden in de meeste muntplaatsen alleen nog maar zilveren munten geslagen. In navolging van de bekende Romeinse munt werden deze denarius genoemd. Zilveren munten werden ook in Friesland vervaardigd, de zogenaamde sceatta’s, die zich onderscheiden van andere munten door een grove en krachtige gravering. Met de inlijving van het Friese gebied in 790 bij het Frankische rijk kwam een einde aan de productie van dit munttype.

Het voorkomen van Madelinus-munten met de vermelding van Dorestad als muntplaats is belangrijk voor de datering van de vroegste bewoningsgeschiedenis van deze nederzetting. Hoewel er grootschalig archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden, is alleen het Karolingische Dorestad teruggevonden. Maar de nederzetting is zeker ouder, zoals de Madelinus-munten bewijzen.

De bewoning van het Merovingische Dorestad moet hebben plaatsgevonden in of direct bij een Romeins grensfort. De bewoningsporen zijn door de rivier volledig weggevaagd, maar baggervondsten wijzen uit dat er wel een fort geweest is. In de Merovingische tijd werden de nog zichtbare Romeinse bouwresten vaak weer door de Franken bezet, aangezien ze zich als wettig erfgenamen van het Romeinse rijk beschouwden.

Het is niet bekend of Dorestad door een Frankische koning gesticht is. Het is zelfs mogelijk dat het fort na het vertrek van de Romeinen bewoond is gebleven, misschien zelfs door Friezen. In ieder geval moet het als contactpunt gefunctioneerd hebben tussen de Frankische en de Friese elites. De ligging van Dorestad bij de splitsing van Rijn en Lek was ideaal, zowel uit commercieel als strategisch oogpunt. Daarom zullen beide partijen ongetwijfeld geprobeerd hebben hun invloed daar te doen gelden.

Ook ten tijde van Karel de Grote (768-814) werden in Dorestad munten geslagen. Deze zilveren denarii dragen de opschriften CAROLUS en DORESTAD. De bloeiende handel ter plekke zorgde er ook voor dat deze handelsplaats een van de belangrijkste muntplaatsen van het Karolingische rijk was.

Tijdens het archeologisch onderzoek in Dorestad zijn ruim 125 vroeg-Middeleeuwse munten teruggevonden. Daaronder bevinden zich ook twee schatvondsten. De eerste bestaat uit 25 denarii van koning Pippijn de Korte (714-768); de tweede kent een groter assortiment. De oudste penningen zijn van Karel de Grote en de jongere van zijn zoon Lodewijk de Vrome (814-840). Na circa 830 komen vrijwel geen munten meer voor in Dorestad. Dat komt doordat de handel in Dorestad toen reeds op zijn retour was. Het spreekt voor zich dat munten voor archeologen belangrijk zijn in verband met de datering van grondsporen en andere vondsten. Ook kunnen munten inzicht geven in de bestaande handelsrelaties. Voor de vroege middeleeuwen moeten we hierbij wel voorzichtig zijn, omdat munten niet alleen als betaalmiddel hebben gediend, maar ook in elitenetwerken als geschenken werden uitgewisseld.

Nederland in de Romeinse tijd | Relevante voorwerpen

Bezoek ons: