Klik nogmaals op de knop om de filters te resetten Sluiten

Nehalennia-altaar en beeld

Op 14 april 1970 trof schipper K.J. Bout uit Tholen bij het vissen in de Oosterschelde nabij Colijnsplaat vier brokken steen in zijn netten aan. De brokken werden gedetermineerd door dr. P. Stuart van het Rijksmuseum van Oudheden. Hij stelde vast dat het om stukken van twee altaren uit de Romeinse tijd ging. Op de altaren waren tekstdelen leesbaar waaruit de naam van de godheid bleek aan wie de stenen waren gewijd. Het was de godin Nehalennia. Ruim drie eeuwen na de ontdekking van haar tempel op het strand van Domburg dook zij opnieuw op.

Omdat het waarschijnlijk leek dat het ook hier de resten van een heiligdom voor Nehalennia betrof, werd besloten een uitgebreid onderzoek te starten. Met behulp van de sleepnetten van de Tholen 6 Johanna Cornelia, het schip van K.J. Bout, werden in minder dan vier weken meer dan 100 altaren, complete en brokstukken, naar boven gehaald. Bovendien werden veel dakpannen, blokken tufsteen en ander bouwmateriaal opgevist. Campagnes in 1971 leverden nog eens meer dan 100 brokstukken en altaren op. Een jaar later werden slechts fragmenten van drie altaren opgehaald en daarna zijn alleen nog incidenteel brokstukken van altaren gevonden door amateurduikers en vissers. In totaal zijn ca. 200 altaren naar boven gebracht, 80 hiervan zijn (bijna) compleet. Vaak konden stukken die op verschillende tijdstippen waren gevonden, aan elkaar gepast worden.

De vondsten tonen aan dat in de Romeinse tijd een heiligdom voor de godin Nehalennia heeft bestaan op de oever van de Oosterschelde, nabij Colijnsplaat. Enkele gedateerde altaren en de stijlkenmerken van sommige stukken geven een datering rond het jaar 200 na Chr. Het heiligdom is waarschijnlijk al in de 3de eeuw na Chr. door het water verzwolgen. Bouwmateriaal en altaren kwamen daarna terecht in de kleibodem van de Oosterschelde. De delen die helemaal in de kleibodem ingebed lagen, zijn volkomen gaaf bewaard gebleven, de delen die boven de kleibodem uitstaken zijn aangetast door verwering en vraat van zeedieren.

Dit exemplaar heeft aan de bovenkant enigszins te lijden gehad, waardoor het gelaat van de godin vervaagd is. Het altaar toont de godin staande, met haar linkervoet op de voorsteven van een (sterk verkleind weergegeven) schip. Op haar gebogen linker bovenbeen houdt zij een mand met vruchten vast. Aan haar rechterzijde zit een hond. Ze draagt een lang gewaad met daarover heen een omslagdoek. Terwijl de godin meestal zittend is afgebeeld met als attributen vruchten en een hond, is aan dit altaar een element toegevoegd: de voorsteven van een schip. Hiermee is Nehalennia, die oorspronkelijk een godin van de vruchtbaarheid (gesymboliseerd door de vruchten) en beschermvrouwe van huis en haard (gesymboliseerd door de hond) was, ook de beschermvrouwe van zeelieden geworden. Dit altaar is niet het enige dat de verbinding met de scheepvaart in beeld brengt. Er zijn ook altaren waar Nehalennia een scheepsroer in de hand houdt. Bovendien blijkt uit de inscripties dat zij vaak aanbeden werd door handelaren en schippers, meestal van buiten onze streken. Ook dit altaar is gewijd door een schipper, afkomstig uit Besanon in Oost-Frankrijk. De tekst op het altaar luidt:

DEAE NEHALENNIAE / VEGISONIVS MAR/TINVS CIVES / SECVANVS NAVTA / V(otum) S(olvit) L(ibens) M(erito). Dat betekent: Aan de godin Nehalennia heeft Vegisonius Martinus, burger uit het land der Sequani [Besanon en omgeving] en schipper zijn belofte ingelost, gaarne en met reden.

Deze schipper heeft de godin blijkbaar voor een behouden vaart een altaar in het vooruitzicht gesteld als beloning. Hij is zijn belofte nagekomen en heeft dit altaar voor de godin laten oprichten. Hij was niet de enige die dit deed, zoals blijkt uit de vele tientallen altaren waarvan stukken zijn teruggevonden. Deze geschenken aan de godin stonden opgesteld in en bij haar tempel.

We kunnen ons een voorstelling maken hoe de tempel eruit heeft gezien. In ons land en de aangrenzende landen hebben in de Romeinse tijd veel tempels gestaan. Op verschillende plaatsen zijn daarvan de fundamenten blootgelegd, in ons land o.a. te Elst (Gld.), onder de huidige kerk. Deze tempels zien er alle ongeveer hetzelfde uit: een hoge, vierkante ruimte met een zadeldak (decella) waarin het beeld van de godheid stond opgesteld, de eigenlijke cultusruimte, met daaromheen een overdekte omgang waarin de wijgeschenken, meestal altaren, stonden opgesteld. Het schuine dak van de omgang rustte aan de buitenzijde op zuilen zodat de omgang naar buiten toe open was.

Van de tempel te Colijnsplaat, dat blijkens een van de teruggevonden inscripties in de Romeinse tijd Ganuenta heette, zijn niet alleen wijaltaren teruggevonden, maar ook delen van beelden die Nehalennia voorstellen. Het meest complete is dit exemplaar. Het stelt de godin voor zittend op een stoel, in een lang gewaad met een omslagdoek. In de rechter zijkant van haar stoel is de hond gebeeldhouwd, in de linker een mand met vruchten, de onafscheidelijke attributen van de godin. Het hoofd werd overigens pas een jaar later opgevist dan de rest. Misschien was dit het cultusbeeld van de godin dat stond opgesteld in de cella.

Nederland in de Romeinse tijd | Relevante voorwerpen

Bezoek ons: