Klik nogmaals op de knop om de filters te resetten Sluiten

Inleiding Etrusken

1. Een eigen cultuur

Volgens een oude Etruskische legende was de priester Tarchon op een goede dag zijn land aan het ploegen in de omgeving van de stad Tarquinia. Plotseling zag hij in de vore een kluit aarde bewegen en de vorm van een kind aannemen. Hij stopte zijn ossen, nam het kind op en haastte zich naar een heiligdom. Het kind ontwikkelde zich in een verbazingwekkend tempo: tegen de middag was Tages – de naam van de jongen – in staat vragen van de priester te beantwoorden. Tages bleek een profeet te zijn, die alle geheimen uit de doeken deed over het voorspellen van de wil van de goden. Tegen het einde van de dag was hij een oude man geworden, stierf, en verdween zonder een spoor achter te laten. Tarchon had zijn woorden echter opgeschreven en verspreidde deze kennis over de twaalf volkeren van Etruri. Dit intrigerende verhaal over de profeet Tages symboliseerde voor de Etrusken hun culturele eenheid. Door taal, religie en gebruiken namen zij gedurende meer dan zeven eeuwen een aparte plaats in op het Apennijnse schiereiland.

2. Geografie

Etruri ligt in Centraal-Itali aan de Tyrrheense Zee. Het komt in grote lijnen overeen met de huidige Italiaanse provincies Toscane, Umbri en het noorden van Latium (Lazio). In het noorden wordt het gebied begrensd door de rivier de Arno, in het oosten en zuiden door het stroomgebied van de Tiber. Aan de overzijde van deze rivieren woonden buurvolkeren van de Etrusken: in het noorden de Ligurirs, in het oosten en zuiden de Umbrirs, de Sabijnen, de Falisken en de Latijnen. In tegenstelling tot de Etrusken spraken deze volkeren Indo-Europese talen en dialecten, waarvan het Latijn door de expansie van Rome in Itali (en later in Europa, Azi en Afrika) uitgroeide tot een wereldtaal.

3. De oorsprong van de Etrusken

De Etrusken werden door de Grieken Tyrsnoi of Tyrrhnoi genoemd; hun Latijnse naam was Etrusci of Tusci. Ze weken door taal en gewoonten af van de hen omringende volken, waardoor al in de Oudheid gespeculeerd werd over hun herkomst. Waren zij ‘nieuwkomers’ in dit gebied – immigranten uit het oosten – of behoorden zij tot de oorspronkelijke bevolking van Itali?

De eerste auteur die zich over deze kwestie uitliet was de Griekse geschiedschrijver Herodotos (5de eeuw v.Chr.). Volgens hem stamden de Etrusken af van een bevolkingsgroep die uit het oostelijke Middellandse Zeegebied was gemigreerd. Hij noemt dan de Lydirs uit Klein-Azi (het huidige Turkije), die ten gevolge van een hongersnood besloten om de helft van hun volk een ander land te laten zoeken. Dit zou hebben plaatsgevonden na de val van Troje, ca. 1200 v.Chr. In het eerste boek van zijn Historiae (‘Geschiedenissen’) vermeldt hij het volgende over de band tussen de Lydirs en de Etrusken:

“Tijdens de regering van Atys, de zoon van Mans, kwam er over geheel Lydia een hevige hongersnood. Een tijd lang droegen de Lydirs dit met geduld, maar vervolgens, toen er maar geen eind aan kwam, zochten zij naar middelen ertegen en de een verzon dit, de ander dat. Hoe dan ook, toen zouden alle soorten spelen zijn uitgevonden. […] Tegen de honger nu pasten zij deze uitvindingen als volgt toe: telkens brachten zij n gehele dag spelend door om niet aan eten te moeten denken en de volgende dag staakten zij het spel en namen voedsel tot zich. Op een dergelijke wijze leefden zij 18 jaren. Toen evenwel de hongersnood niet minder werd, maar zij het zelfs nog zwaarder te verduren kregen, toen verdeelde hun koning alle Lydirs in twee groepen en liet bij loting uitmaken welke groep zou mogen blijven en welke het land zou moeten verlaten. Hij bepaalde verder, dat over de groep, aan wie het lot vergunde te blijven, hij zelf koning zou zijn, en over de vertrekkenden zijn eigen zoon, die Tyrsnos heette. Na de loting verliet de ene groep het land […]. Ze voeren weg om levensmiddelen en een nieuw land te zoeken, totdat ze na een lange vaart langs vele volken aankwamen bij de Umbrirs, waar ze zich in steden vestigden en tot op de huidige dag wonen. In plaats van Lydirs gingen zij zich noemen naar de koningszoon, die hen daarheen had gevoerd. Naar diens naam werden zij voortaan Tyrsenen genoemd.” (Historin I, 94. Vertaling: O. Damst)

De Griekse schrijver Dionysios van Halikarnassos (1ste eeuw v.Chr.), die zijn Antiquitates Romanae (‘Romeinse Oudheden’) schreef ten tijde van keizer Augustus, hield er een andere mening op na. In de hoofdstukken die hij wijdde aan de herkomst van de Etrusken onderzocht hij alle hem bekende theorien. Hij vermeldt onder meer de historicus Hellanikos van Lesbos (5de eeuw v.Chr.), die van mening was dat de Etrusken gelijk gesteld konden worden met de Pelasgen, een volk dat voor en na de val van Troje rondzwierf door het Middellandse-Zeegebied. Onder het koningschap van Nanas zouden de Pelasgen verdreven zijn uit Griekenland. Zij vluchtten naar Itali, namen daar de stad Cortona in en stichtten vanuit deze stad een nieuw rijk met de naam Tyrrhenia.

Maar Dionysios was het niet eens met Hellanikos’ identificatie van de Etrusken met de Pelasgen, terwijl ook het verhaal van Herodotos in zijn ogen geen genade kon vinden. Lydirs en Etrusken hadden in taal, religie en gewoonten niets gemeen. Dionysios besloot dat de Etrusken van oudsher in Itali hadden gewoond, met andere woorden autochtoon waren:

“De Etrusken vereren niet dezelfde goden als de Lydirs en kennen niet dezelfde wetten en instellingen. In deze opzichten verschillen ze zelfs meer van de Lydirs dan van de Pelasgen. Kortom: waarschijnlijk hebben zij gelijk, die beweren dat de [Etruskische] natie niet ergens anders vandaan is gekomen, maar vanouds in het land woonde, want het volk is erg oud en komt met geen ander overeen in taal en gebruiken.” (Antiquitates Romanae, I, 30, 1-2)

Aanwijzingen voor een oosters element in de samenstelling van het Etruskische volk zijn te vinden in Egyptische berichten over aanvallen van de ‘zeevolkeren’ tijdens het bewind van de farao’s Meneptah en Ramses III (13de – 12de eeuw v.Chr.). In de inscripties die over deze agressors berichten worden naast bekende Egesch-Anatolische volken ook andere stammen met name genoemd: de Trs (Turscha), de Srdn (Schirdana) en de Skls(Schakalasch), waarin misschien de Tyrsenoi (Etrusken), de Sardi (Sardinirs) en de Siculi(Sicilirs) te herkennen zijn. Deze volken kunnen zich na de expedities tegen Egypte gevestigd hebben in Etruri en op de eilanden Sardini en Sicili. De Italiaanse archeoloog Pallottino sluit echter niet uit dat stammen, die al in Itali en op de eilanden woonden, zich als bondgenoten of huurlingen hebben aangesloten bij de plundertochten van de Egesch-Anatolische volken in de onrustige tijd tegen het einde van de Myceense periode.

Een tweede aanwijzing die pleit voor een oosterse herkomst van (een gedeelte van) de Etrusken is de stle van Kaminia op het eiland Lemnos. Deze grafsteen van de krijgsman Holaies dateert uit de 6de eeuw v.Chr. en heeft een inscriptie in een Tyrrheense taal die nauw verwant is met het Etruskisch. Deze vondst – een unicum – laat drie mogelijke conclusies toe:

Door gebrek aan meer gegevens over Lemnos is een keuze tussen de drie mogelijkheden op dit moment niet te maken. De derde mogelijkheid is het minst waarschijnlijk.

Volgens de Italiaanse archeoloog M. Pallottino gaat het zoeken naar de herkomst van het Etruskische volk uit van een verkeerde veronderstelling, namelijk dat volkeren n nauwkeurig te bepalen herkomst zouden kunnen bezitten. Hij wijst in dit opzicht op de huidige Franse cultuur, die elementen in zich bergt van de Kelten, (Gallo-)Romeinen, Franken, Visigothen, Bourgondirs en Normandirs. De herkomst van de Fransen terug te leiden naar n van de genoemde groepen zou de complexe realiteit geweld aandoen. Liever spreekt Pallottino dan ook van de ‘formatie’ van het Etruskische volk, die heeft plaatsgevonden in prehistorisch Itali gedurende een lange periode. Autochtone bevolkingsgroepen en nieuwkomers vanuit het oostelijke Middellandse-Zeegebied kunnen zijn versmolten tot een volk dat in historische tijd als een eenheid werd beschouwd.

4. Geschiedenis en cultuurperioden

4.1 De Villanova-cultuur (ca. 1100 – ca. 700 v.Chr).

Rond 1100 v.Chr. traden in verschillende gebieden van Itali veranderingen op in bewoningspatronen en het begrafenisgebruik. Tot die periode had zich in Centraal-Itali de zogenaamde Apennijnse beschaving ontwikkeld. De dragers van deze cultuur waren nomadische herders met eenvoudige begrafenisgewoonten (inhumatie). Tijdens de Villanova-cultuur ontstonden de eerste dorpjes en ging men van inhumatie over op crematie, waarbij de gecremeerde resten werden begraven in urnen. De verspreiding van de urnenvelden vindt men in de Po-vlakte, Etruri, Campani (de streek rond Napels) en op de Liparische eilanden. De Villanova-cultuur loopt in Itali van ca. 1100 tot ca. 700 v.Chr. (in de Povlakte plaatselijk tot ca. 500 v.Chr.).

Wanneer in de 7de eeuw v.Chr. het schrift in Itali wordt overgenomen van Griekse kolonies in Zuid-Itali blijkt de Etruskische taal gebruikt te worden in de eerder genoemde gebieden: de Po-vlakte, Etruri en Campani. Dit is een aanwijzing dat de dragers van de Villanova-cultuur als ‘proto-Etrusken’ beschouwd kunnen worden.

4.2 De orintaliserende periode (ca. 700 – ca. 600 v.Chr.)

Een keerpunt in de geschiedenis van Itali ligt in de 7de eeuw v.Chr. De eenvoudige dorpjes uit de Villanova-periode groeiden uit tot steden. Langs de kust werd crematie vervangen door inhumatie in grote ronde grafheuvels met meerdere grafkamers (tumuli). In deze graven werden prachtige luxe-voorwerpen meegegeven: Egyptisch faience, bewerkt ivoor, struisvogeleieren, gouden en zilveren schalen, sieraden met filigrain en granul. De rijkdom van de Tyrrheense kuststrook vond zijn oorzaak in de exploitatie van de ijzermijnen op Elba en rond de steden Populonia en Tarquinia. Om de handel in ditmetaal veilig te stellen vestigden de Etrusken hun heerschappij op zee. Deze periode van grote welvaart met vele contacten met het oosten (Egypte, Phoenici, Griekenland) wordt de ‘orintaliserende’ fase in de Etruskische cultuur genoemd.

4.3 De archasche periode (ca. 600 – ca. 480 v.Chr.)

De consolidering van de Etruskische macht vond plaats in de 6de eeuw v.Chr. In deze tijd heersten Etrusken over grote gedeelten van de Po-vlakte, Latium en Campani. Op zee bestreden zij samen met de Carthagers Griekse kolonisten die zich op Corsica hadden gevestigd. Op het vasteland hadden zij de belangrijke handelsroute naar Campani in handen. Vanaf ca. 615 v.Chr. tot ca. 510 v.Chr. heersten Etruskische koningen over Rome: Tarquinius Priscus, Servius Tullius en Tarquinius Superbus. In Rome verrees de grote tempel voor Jupiter Capitolinus, werd een drainage- en rioleringssysteem aangelegd en werd het centrale plein geplaveid (Forum Romanum).

De rijkdom van de periode laat zich aflezen aan de beschilderde graven van Tarquinia en Chiusi. Op de wanden van deze graven komen veel scnes uit het dagelijks leven voor: feestmalen, zang en dans, sportwedstrijden, jacht en visvangst. De import van luxe-voorwerpen was groot. Vooral Grieks aardewerk werd in enorme hoeveelheden naar Etruri gexporteerd. Griekse pottenbakkers vestigden zich ook in Itali.

De regionale verschillen tussen de Etruskische steden waren aanzienlijk. De steden waren autonoom en kenden verschillende regeringsvormen. Eenmaal per jaar kwamen de heersers (lucumones) van de 12 belangrijkste steden bijeen bij het centrale Etruskische heiligdom, het Fanum Voltumnae, in de omgeving van Orvieto. De gemeenschappelijke politiek van de ‘Etruskische Bond’ werd hier besproken, en zo nodig werd een opperbevelhebber van de Etruskische legermacht aangesteld. Tot de stedenbond behoorden Caere, Tarquinia, Vulci, Roselle, Vetulonia, Populonia, Volsinii, Chiusi, Arezzo, Perugia en Volterra. De stad Veii viel na de nederlaag tegen de Romeinen af.

Het einde van de 6de eeuw v.Chr. werd gekenmerkt door sociale onrust en toenemende conflicten met de Griekse kolonies in Zuid-Itali: in Rome werd de laatste Etruskische koning in 510 v.Chr. verjaagd en de republikeinse staatsvorm ingesteld. Na een verloren offensief te land tegen de Griekse kolonie Cumae in 525 v.Chr. probeerden de Etrusken nog eenmaal een oorlog op zee tegen de Griekse handelsconcurrenten te voeren. In 474 v.Chr. werd de gehele Etruskische zeemacht bij Cumae vernietigend verslagen door Hiro, de heerser van het Griekse Syracuse op Sicili.

4.4 De klassieke en Hellenistische perioden (ca. 480 – ca. 40 v.Chr.)

In de klassieke en Hellenistische perioden nam de welvaart van de Etruskische steden langzaam af. Importen van Grieks luxe-aardewerk werden in het zuiden schaars. Het verlies van handelsroutes op de Tyrrheense Zee leidde tot het zoeken naar nieuwe mogelijkheden aan de Adriatische kust: de havenstad Spina in de Po-vlakte werd het centrum van de handel op Griekenland, terwijl ten noorden van de Apennijnen steden werden gesticht (bijvoorbeeld Marzabotto bij Bologna). In 423 werd Capua door de Samnieten veroverd en eindigde de Etruskische heerschappij over Campani. De kusten van Etruri werden geplunderd door vlooteenheden uit Syracuse. In de 4e eeuw vielen Keltische stammen van over de Alpen het Etruskische gebied binnen, terwijl de groeiende macht van Rome zich in het zuiden deed voelen (in 396 v.Chr. werd Veii als eerste Etruskische stad ingenomen en verwoest). Onder aanvoering van Tarquinia probeerden de Etruskische steden zich te verzetten tegen de expansie van Rome, maar tevergeefs. Na een reeks bloedige oorlogen raakte Etruri in de 3de eeuw v.Chr. onder Romeins gezag. In de 1ste eeuw v.Chr. is er sprake van een totale romanisering van Etruri, na de bondgenotenoorlog en de daarop volgende burgeroorlogen, waarin diverse Etruskische steden actief betrokken waren en Perugia geheel werd verwoest (40 v.Chr.).

De wetenschappelijke belangstelling voor de Etrusken was in de vroege jaren van de Keizertijd groot. Keizer Claudius (41-54) schreef onder de titel Tyrrhenika een werk in 20 delen over de Etruskische geschiedenis, dat helaas op enkele fragmenten na verloren is gegaan. Aristocratische Etrusken konden hoge posities aan het hof bereiken. Tot in de 5de eeuw waren haruspices, Etruskische waarzeggers, actief. Maar met het uitsterven van de taal en het verlies van geschreven bronnen over de Etrusken raakte dit volk langzaam in vergetelheid en ontstond het ‘geheim der Etrusken’.

5. Alfabet en taal

Rond 700 v.Chr. namen de Etrusken het alfabet over van Griekse kolonisten uit Pithecusa (het eiland Ischia) en Cumae (in de omgeving van Napels). Deze meest noordelijke Griekse kolonies in Itali waren gesticht vanuit het eiland Euboea: vandaar dat – met enige aanpassingen – het Euboesch alfabet in Etruri ingang vond en zich in lokale varianten verder ontwikkelde. Schrijfplankjes met voorbeeld-alfabetten komen in de 7de eeuw v.Chr. voor. In deze vroege periode werden in de Griekse wereld nog verschillende schrijfwijzen gevolgd: van rechts naar links, van links naar rechts, en ook boustrophdon (‘zoals een os ploegt’): van links naar rechts en weer terug van rechts naar links. De Etrusken namen de eerste variant over: op enkele uitzonderingen na lopen alle teksten van rechts naar links.

Het gebruik van het Griekse alfabet stelt ons ogenschijnlijk in staat de teksten zonder veel moeite te lezen. Het probleem ligt echter in het begrijpen van de woorden en de interpretatie van langere teksten: van de ca. 13.000 bekende teksten bestaat het merendeel uit korte grafinscripties, die in vaste formuleringen de voornaam van de overledene geven, de familienaam, de naam van de vader/moeder (soms ook van de grootvader) en verder ‘heeft… jaren geleefd’ en ‘is gestorven’. Ook votiefinscripties hebben een beperkt repertoire aan woorden: de naam van de schenker en de woorden voor ‘heeft gewijd/geschonken’ soms aangevuld met de naam van de godheid. Naamvallen en werkwoordsvormen kunnen aan de hand van deze inscripties op beperkte schaal geanalyseerd worden.

De langere teksten met series onbekende woorden stellen de onderzoekers voor problemen. De langste tekst (ca. 1300 woorden) wordt gevormd door de zogeheten Mummiewikkel van Zagreb. Een Kroaat kocht in 1848 een mummie in Alexandri en nam deze mee naar zijn woonplaats Zagreb. Bij het afwikkelen van de mummiewindsels bleken deze te bestaan uit versneden Etruskische teksten, die op linnenwaren geschreven. Dit linnen boek (liber linteus) bevat een kalender met religieuze feestdagen en rituele voorschriften, waarvan de betekenis tot op heden onduidelijk is gebleven.

Een tweetalige inscriptie – in het Punisch (de Carthaagse variant van het Phoenicisch) en in het Etruskisch – werd in 1964 gevonden bij de opgraving van het tempelcomplex van Pyrgi (Santa Severa). De teksten bevinden zich op drie gouden plaatjes, die aan de tempel bevestigd waren geweest, maar bij de vernietiging van de tempels door de Syracusanen in 384 v.Chr. in een put terecht kwamen. Helaas is de inscriptie te kort om een Etruskische ‘Steen van Rosette’ te zijn; bovendien wijken de Punische en Etruskische teksten in details nogal van elkaar af.

De taal van de Etrusken wordt over het algemeen als niet Indo-Europees beschouwd en heeft geen lingustische banden met andere talen binnen of buiten Europa, met uitzondering van het Lemnisch, dat bekend is van de stle van Kaminia (6de eeuw v.Chr., zie boven). Enkele woorden uit het Etruskisch komen overeen met woorden die in het Grieks bewaard zijn gebleven, maar tot de vr-Griekse taal behoren: vergelijk puia (vrouw) – opuioo (Grieks: ik neem tot vrouw; purth (naam van magistraat) – prytanis (Grieks: magistraat; huth (vier) – Hyttenia (later in het Grieks Tetrapolis, ‘vierstad’). Deze vr-Griekse woorden kunnen deel uitgemaakt hebben van dezelfde taalgroep als het Lemnisch en het Etruskisch.

Enkele woorden die zowel de Romeinen als de Etrusken gebruikten zijn via het Latijn in de huidige westerse woordenschat terecht gekomen zoals wijn (Lat./Etr.vinum) en leeuw(Lat. leo; Etr. leu). Een echt Etruskisch woord dat nog dagelijks gebruikt wordt is ‘persoon’, dat afstamt van het Etruskische phersu, ‘masker’.

6. Religie en de godenwereld

Bij de Grieken en Romeinen stonden de Etrusken bekend om hun fanatieke religiositeit. De Romein Livius beschreef hen als een ‘volk dat zich meer dan andere overgaf aan religieuze praktijken, omdat het uitblonk in het cultiveren ervan’. De christelijke auteur Arnobius beschreef het negatiever: Etruri was voor hem ‘voortbrengster en moeder van allerlei bijgeloof’.

De Etrusken kenden een uitgebreid, samenhangend systeem van godsdienstige praktijken. Dit systeem stond omschreven in boeken, waarvan helaas alleen de titels bewaard zijn gebleven, zodat voor de inhoud wij zijn aangewezen op mededelingen van latere auteurs. De titels van de boeken zijn:

Libri haruspicini – boeken over de leverschouw
Libri fulgurales – boeken over de interpretatie van bliksems
Libri rituales – boeken over de uitvoering van de cultus: het stichten van steden, het wijden van tempels, het indelen van land, bevolking, legers etc.
Libri fatales – boeken over het noodlot: de grenzen van het menselijk leven en het voortbestaan van volken
Libri acherontici – boeken over het hiernamaals

De openbaring van de religie wordt, zoals boven is uiteengezet, toegeschreven aan de profeet Tages, die het hele systeem dicteerde aan de priester Tarchon. Zijn leer werd vastgelegd in de Libri Tagetici. Tages staat vooral bekend als degene die de leverschouw aan de Etrusken heeft geopenbaard.

De gewoonte om uit de ingewanden van een offerdier de toekomst te voorspellen is uit het oosten afkomstig.Terracotta levermodellen zijn opgegraven in Mesopotami en Isral. Bij Piacenza in de Po-vlakte is een Etruskisch exemplaar van brons gevonden: het heeft de vorm van een schapelever en is voorzien van inscripties van godennamen. Waarschijnlijk werd het gebruikt als instructiemodel: een lever heeft de eigenschap snel afwijkingen te vertonen in de vorm van uitstulpingen. De plaats van deze afwijkingen kon met behulp van het model worden gerelateerd aan de naam van een godheid. Afhankelijk van de plaats van de afwijking kon het voorteken gunstig of ongunstig zijn.

Op dezelfde manier als de lever (mikrokosmos) kon ook de hemel (de makrokosmos) worden ingedeeld in een gunstige en een ongunstige helft. De plaats waar bliksems verschenen werd door de bliksemschouwer als gunstig of ongunstig uitgelegd. In dit verband is een opmerking van de Romeinse filosoof Seneca interessant. Om het verschil in denkwereld tussen Etrusken en Romeinen toe te lichten, geeft hij het volgende voorbeeld: “Het verschil tussen ons en de Etrusken is het volgende: wij menen dat de bliksem ontstaat omdat wolken botsen; zij beweren dat wolken botsen om bliksem te doen ontstaan. Alles leiden zij terug op een godheid, en ze geloven niet dat wanneer iets is gebeurd er een (natuurlijke) reden achter schuilt, maar dat juist iets gebeurt omdat er een (verborgen) reden achter moet zitten.” (Quaestiones Naturales, II, 32, 2) Het wekt geen verbazing dat een volk dat zoveel waarde hechtte aan een systeem om de verborgen bedoelingen van een godheid te doorgronden, ook in andere opzichten strakke indelingen kende. De orintatie van tempels en steden in gunstige richtingen en de rituelen die daarbij pasten stonden beschreven in de Libri Rituales.

Ook de tijdsperiode voor het bestaan van mensen, steden en volkeren werd door de Etrusken uitgewerkt. De Latijnse schrijver Censorinus vermeldt dat volgens de Etrusken ieder mens een vastgesteld aantal jaren te leven had: aan het einde van deze periode kon de dood nog worden uitgesteld door offers en gebeden, maar na de leeftijd van 70 jaar kon en mocht men de goden niet om meer tijd vragen. Ook een Etruskische stad kende een vastgestelde tijd van bestaan, die met dertig jaar verlengd kon worden door religieuze handelingen. Aan het Etruskische volk als geheel waren 10 eeuwen toebedeeld (die in lengte konden verschillen). Wanneer de tiende eeuw afliep, zou er een einde komen aan de Etruskische natie.

De Etruskische godenwereld vertoont een bont pantheon: de oudste goden bestaan uit locale geesten en helden. Tot deze inheemse goden, die meestal geen duidelijk omschreven uiterlijk hebben en dus zelden of nooit in de kunst worden afgebeeld, behoren Veltuna, Thufltha, Letham, Cilen, Lath, Tlusc en Tivr.

Met de groeiende invloed van de Griekse cultuur in de 6de eeuw v.Chr. werden ook elementen van de Griekse godsdienst in Etruri gentroduceerd. Griekse goden assimileerden met de inheemse godenwereld en er ontstond een hirarchische ordening met een eigen mythologie. Voorbeelden van deze assimilatiegoden (met daarnaast de Griekse en Latijnse equivalent) zijn:

Tin/TiniaZeus, Jupiter
UniHera, Juno
MenervaAthena, Minerva
SethlansHephaistos, Vulcanus
TurmsHermes, Mercurius
TuranAphrodite, Venus
MarisAres, Mars
NethunsPoseidon, Neptunus
FuflunsDionysos, Bacchus

Sommige goden zijn waarschijnlijk direct overgenomen, zoals

HercleHerakles, Hercules
Aplu/ApuluApollo
Artumes/AritimiArtemis, Diana
Tinas cliniiar = ‘zonen van Tinia’Dioscuren

Tot de goden van de onderwereld behoren tenslotte Aita (Hades/Pluto) en Phersipnei (Persephone/Proserpina), die worden omringd door demonen als Charun (verwant aan de Griekse veerman Charon, maar in de Etruskische kunst eendemonmet haviksneus, paardeoren en een hamer), Vanth en Tuchulcha, een monster met gierenkop, ezelsoren en slangenhaar. Laatstgenoemde goden en demonen worden veelvuldig afgebeeld in de eindfase van de Etruskische cultuur (4de-2de eeuw v.Chr.).

7. Zeden en gebruiken

De Etrusken verschilden niet alleen door hun taal en religie van de andere volken in de klassieke oudheid. Ook hun familieleven en sociale gebruiken weken sterk af van de gewoonten in de Mediterrane wereld. Een voorbeeld is de positie die de vrouw innam in de Etruskische samenleving. Hoewel we niet kunnen spreken van een matriarchaat zijn er niettemin aanwijzingen dat de vrouw in Etruri meer rechten bezat dan bijvoorbeeld in het oude Griekenland. Op de wandschilderingen van de Tombe van de Tweespannen (ca. 490-480 v.Chr.) te Tarquinia zijn sportwedstrijden afgebeeld. De tribunes zijn in twee verdiepingen verdeeld: de meesters kijken boven toe, gezeten op banken, de slaven liggen onder de tribunes. Opvallend is, dat op de ‘eretribune’ zich ook een vrouw bevindt, iets wat uitgesloten was in het contemporaine Griekenland.

De Tombe van het Feestmaal in Tarquinia (ca. 470 v.Chr.) heeft haar naam te danken aan de weergave van een copieus drinkgelag, dat wordt opgeluisterd door muzikanten en dansers. Op de aanligbedden liggen mannen en vrouwen naast elkaar te eten en te converseren. In Griekenland was dit uitgesloten: aan de feestmalen namen uitsluitend mannen deel, met uitzondering van de (betaalde) ‘gezelschapsdames’.

De deksels van askisten beelden soms man en vrouw uit in een pose die als teder kan worden omschreven: een voorbeeld is de ‘echtpaarsarcofaag’ uit Cerveteri (6de eeuw v.Chr.). De positie van de vrouw spreekt ook uit de gewoonte om bij grafinscripties soms naast de naam van de vader ook de naam van de moeder te vermelden. Ook dit gebruik komt in Griekenland niet voor; slechts de naam van de vader geeft de afkomst van iemand weer. Resten van deze onafhankelijke positie van de vrouw zijn ook in de Romeinse samenleving te traceren. De invloed van de matrona op het openbare leven was aanzienlijk.

De beeldvorming van de Etrusken in de Griekse literaire bronnen is om deze redenen bepaald negatief. Etrusken worden omschreven als onmatig, zowel in hun eetgewoonten als in hun seksuele leven. Dit laatste aspect werd door de Griekse auteur Athenaeus breed uitgemeten. In een passage van zijn werk de Deipnosophistae (‘Tafelgesprekken’, ca. 200 na Chr.) vermeldt hij verschillende volkeren die hebben uitgemunt in luxe en uitspattingen. De Etrusken spanden volgens hem de kroon:

“Voor de Etrusken is het geen schande om in het openbaar gezien te worden terwijl ze iets doen, of terwijl iemand iets met hen doet; dit is ook weer zo’n gebruik van hun land. Zij vinden dit alles zelfs zo gewoon, dat, als de heer des huizes bezig is zich aan de liefde te wijden en iemand vraagt naar hem, zij antwoorden dat hij zus en zo aan het doen is, en zij noemen dan de daad bij de schunnige naam. Als zij bij elkaar komen voor een gezellige avond of voor een familiefeest dan handelen zij als volgt: als iedereen klaar is met drinken en op het punt staat om naar bed te gaan, dan brengen slaven eerst – met de lichten nog aan – gezelschapsdames naar binnen, of hele mooie jongens, of ook wel hun eigen vrouwen. Als ze van deze personen genoten hebben, dan brengen de slaven wellustige jongens, die op hun beurt de feestgasten attaqueren. […]”

“Vaak doen ze het met vrouwen, maar veel liever met jongens en knapen. Want in hun land zijn die erg mooi, omdat zij in luxe leven en hun lichamen glad houden. Alle barbaren die in het westen wonen verwijderen het lichaamshaar met harspleisters of met scheermessen.” (Deipnosophistae, XII, 517-518)

8. De Etruskische collectie in Leiden

Op 1 december 1827 liep het marineschip ‘De Zeemeeuw’ de haven van Hellevoetsluis binnen. Het keerde terug van een tocht door het Middellandse-Zeegebied met een wat ongewone lading. In het ruim lagen 49 kisten, die bestemd waren voor het Leidse Rijksmuseum van Oudheden. De kisten bevatten naast Egyptische voorwerpen een prachtige verzameling Etruskische oudheden die het jaar daarvoor, in 1826, waren aangekocht in Cortona door Jean Emile Humbert, een Nederlandse genie-officier, belast met een speciale missie in het Middellandse-Zeegebied.

Jean Emile Humbert (1771-1839) heeft een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van de Nederlandse archeologie. Zijn karakter en avontuurlijke levensloop maken hem tot een boeiende persoonlijkheid. Hij werd geboren in ‘s-Gravenhage. Zijn vader Jean Humbert was portretschilder. Jean Emile kreeg een opleiding tot genie-officier. Een gelegenheid om de Bataafse Republiek te verlaten bood zich aan in 1795, toen hij werd uitgenodigd deel uit te maken van een expeditie naar het regentschap Tunis, het huidige Tunesi.

Humbert raakte zeer genteresseerd in de geschiedenis en topografie van Noord-Afrika. In 1817 maakte hij naam door als eerste onderzoeker in Carthago vier Punische grafstenen met inscripties op te graven. Met zijn collectie keerde hij in 1820 terug naar Nederland, waar hij in contact kwam met C.J.C. Reuvens, de eerste directeur van het Rijksmuseum van Oudheden. De collectie Punische inscripties werd aangekocht en Humbert kreeg het verzoek in dienst van het Ministerie van Onderwijs een wetenschappelijke expeditie naar Tunesi te maken met als doel de topografie van Carthago te ontsluieren. Deze eerste archeologische ontdekkingsreis duurde van 1822 tot 1824. Het succes van de missie was voor Reuvens aanleiding een tweede expeditie voor Humbert te organiseren, ditmaal met Itali en de hele kuststreek van Noord-Afrika als doel. In samenspraak met het Ministerie van Binnenlandse Zaken (waar Onderwijs toen was ondergebracht) werd een reisinstructie opgesteld met een precieze omschrijving van de objecten die Reuvens graag voor het museum aangeschaft wilde zien. Hij schreef op 4 januari 1826 aan het Ministerie:

“Ten opzigte van de reis naar Italie en Sicilie stel ik voor dat de Heer Humbert zich enkel bepale tot het aankoopen van oudheden, en wel voornamelyk van: Etrurische voorwerpen, vooral met Etrurisch schrift of met de voorstelling van den genius met eenen hamer of byl gewapend [de doodsdemon Charun]. Bronzen, mits fraay, en liefst zulke voorwerpen als het Museum nog niet bezit, vooral bewerkte schalen (paterae), mystische spiegelen en mystische kastjes (cistae mysticae) Lampen niet dan fraay en liefst in fraay brons Grieksche vazen, zoogenaamde Etrurische, mits groot en met merkwaardige voorstellingen. Geen gewoon huisraad, noch middelmatig of slecht beeldwerk, noch grafschriften (…)”

Maart 1826 vertrok kolonel Humbert over Brussel en Parijs in de richting van Itali. In april arriveerde hij in de Toscaanse havenstad Livorno. Hij werd al snel in de gelegenheid gesteld om aan een gedeelte van zijn instructies te voldoen: hij ontving een brief van Filippo Passerini, die hem op de hoogte stelde dat een Etruskische collectie te Cortona te koop was. Het was de tijd dat overal in Europa grote nationale musea ontstonden, die vaak het einde van de priv-collecties betekenden. De verarmde adel bracht hun verzamelingen in een hoog tempo op de markt. Het ‘Museo Corazzi’ bestond uit de collectie van de grafelijke familie Corazzi, die gedurende generaties oudheden uit de omgeving van Cortona had verzameld. De belangrijkste component in de verzameling waren de prachtige bronzen beeldjes, waarvan enkele Etruskische inscripties droegen (ondermeer beeldjes van een krijger, een griffioenen een jongen met een gans). De vraagprijs was 60.000 gulden. Een periode van moeizaam onderhandelen begon.

Formeel diende Humbert vanuit Livorno eerst het Ministerie in ’s Gravenhage te berichten. Het Ministerie zond zijn brieven vervolgens door naar Reuvens in Leiden met het verzoek om “consideratie en advies”. Reuvens antwoordde het Ministerie, dat op zijn beurt instructies naar Humbert in Itali opstuurde. Een tijdrovende bezigheid.

De eerste overwegingen van Reuvens over de collectie Corazzi zijn in menig opzicht interessant. Hoe moest een redelijke prijs bepaald worden voor een dergelijke collectie? Etruskische oudheden waren namelijk op dat moment nauwelijks aanwezig in de Westeuropese musea. Er ontbraken parallellen. Het antwoord op deze vraag volgt in de woorden van Reuvens aan het Ministerie in een schrijven van 9 augustus 1826:

“Etrurische oudheden te bezitten aan deze zyde van de Alpen is iets zeldzaams. Ik herinner my niet dan het Britsche Museum waar men eenige oorspronkelyke Etrurische stukken met schrift van dat volk, namelyk eenige urnen, aantreft. […] Maar terwyl nu in de oudheidkunde geen studie opgewekt of krachtig voortgezet wordt zonder de voorwerpen zelve zoude het iets nuttigs zoowel als roemryks zyn van die klasse een behoorlyk fonds in het Leydsche museum te bezitten. Doch de zeldzaamheid zelve van de voorwerpen aan deze zyde van de Alpen maakt dat men moeyelyk eenen prys kan bepalen welken dezelve alhier zouden kunnen waardig zyn. Men zoude welligt tot grondslag den prys kunnen stellen dien de voorwerpen zouden gelden indien zy Romeinsche waren, en dezen wegens de meerdere zeldzaamheid en hoogere belangrykheid verhoogen, byvoorbeeld verdubbelen.”

Reuvens stelde voor om de onderhandelingen voort te zetten en te proberen de prijs te verlagen:

“Desniettemin vermits de zaak van veel belang blyft, stel ik U Ed Gestr. voor dat dezelve niet verworpen worde maar de Heer Humbert gecommitteerd om de verzameling onderhands te bezigtigen, daarvan berigt te doen, en inmiddels de onderhandelingen zoo koel te behandelen, dat de eigenaar van zelf overga om -zoo hy wil verkoopen- eenen verminderde vraag te doen die eene behoorlyke onderhandeling toelate.”

Na de ontvangst van dit bericht begaf Humbert zich naar Cortona, inspecteerde de collectie en beantwoorde een gedetailleerde lijst van vragen. Tot ieders verbazing bleek de vraagprijs al snel met 22.000 gulden verminderd te worden tot een bedrag van 38.000 gulden. In een tweede rapport van Reuvens van oktober 1826 toonde hij zich na de berichten van Humbert enthousiaster over de collectie. Reuvens stelde nu aan het Ministerie voor een bod van 35.000 gulden te doen, dezelfde prijs die het Brits museum voor de in omvang vergelijkbare verzameling van Lord Townly had betaald. De tijd begon echter te dringen. In ’s Gravenhage en Brussel ontstond een drukke briefwisseling tussen de Ministeries van Binnenlandse Zaken, van Financin en Koning Willem I over de vraag uit welke begroting deze bijzondere aankoop gedaan zou kunnen worden.

Wat niemand in Nederland op dat moment echter wist was dat Humbert in november 1826 had vernomen dat de Toscaanse regering een bod ging uitbrengen op de Etruskische collectie. Humbert handelde snel en bood, zonder goedkeuring af te wachten, 33.000 gulden. Misschien wel tot zijn eigen schrik werd het bod aanvaard. Hij had toen de wat delicate taak het Ministerie in te lichten. Dit bericht zorgde voor een grote opwinding. De Minister van Financin schreef direct aan Willem I: “(…) de ondergeteekende acht zich evenwel verpligt aantemerken, dat de handelwyze van dien Heer als hoogst onregelmatig te beschouwen is, vooral onder het aangenomen stelsel van financieel beheer, volgens hetwelk de bevoegdheid tot het eigener autoriteit beschikken over ’s Rijks penningen tot aan de eerste Staatsambtenaren en Kollegin is ontzegd.” In deze zin ontving Humbert naast complimenten over de aanschaf ook een stevige reprimande. Hij was hier echter weinig van onder de indruk. Toen hij begin 1827 in Livorno de hele collectie van Corazzi onder ogen had, schreef hij (vertaald uit het Frans): “Nu ik in de gelegenheid ben om in alle rust de stukken uit de verzameling Corazzi te inspecteren ben ik steeds meer overtuigd van het belang en de waarde van deze aanwinst, en ik beken U vrijelijk, mijnheer, dat ik vandaag bijzonder trots ben op alle verwijten aan mijn adres over het feit dat ik mij overhaast heb om het rijk een prachtige verzameling Etruskische antiquiteiten te bezorgen.” Hoewel Tunesi het oorspronkelijke doel van Humberts missie was maakte hij om verschillende redenen de overtocht niet, maar bleef in Livorno actief de kunstmarkt observeren. Hij kocht hier de belangrijke Egyptische collectie van Jean d’Anastasy, die de kern van de Egyptische verzameling van het RMO uitmaakt. Behalve de collectie Corazzi kocht hij nog meer Etruskische oudheden aan: keramiek, bronzen beeldjes, grafstenen, maar ook een collectie van 27 Volterraanse askisten uit de collectie Giorgite Volterra, waaronder zich een aantal beroemde stukken bevinden (met voorstellingen uit de Odyssee en uit de tragedie Meleager), en de ‘Leidse canoop’, die uit de omgeving van Chiusi stamt.

In 1830 keerde Humbert naar Nederland terug in de hoop nog een derde wetenschappelijke reis te kunnen organiseren. Door de Belgische Opstand werden deze plannen echter gedwarsboomd. Hij keerde terug naar Livorno, waar hij in 1839 overleed. Hoewel ook in latere jaren Etruskische oudheden zijn aangekocht is het grootste gedeelte van de huidige Etruskische collectie in Leiden door zijn tussenkomst verworven.

Etrusken | Relevante voorwerpen

Bezoek ons: