Klik nogmaals op de knop om de filters te resetten Sluiten

Dood, rouwen en begraven bij de Grieken

De Grieken stelden zich het dodenrijk voor als een triest verblijf in een grote, donkere ruimte, ergens diep onder de wereld, waar de schimmen van de overlevenden treurig ronddoolden.Alle overledenen was hetzelfde lot beschoren. Er werd echter wel een onderscheid gemaakt tussen het lot van de rechtvaardigen en dat van de boosdoeners. In de Tartarus, een oord van eeuwige duisternis, moesten zij die tijdens hun leven de goden beledigd hadden voor straf een onmogelijke taak vervullen. Zo moest Sisyphos eeuwig een zwaar rotsblok tegen een steile helling omhoog duwen. Telkens wanneer hij bijna de top bereikt had, rolde de steen weer de diepte in en kon Sisyphos weer opnieuw beginnen.

Ook Tantalos moest een enorme marteling doorstaan. Deze eens zo rijke Lydische koning stond vastgeketend in het water, dat tot zijn lippen reikte. Maar steeds als Tantalos wilde drinken, zakte het water, zodat hij er niet bij kon en wanneer hij honger had en een van de vruchten die boven hem hingen wilde plukken, zorgde de wind ervoor dat hij er niet bij kon. De zielen van de rechtvaardigen daarentegen verkeerden in een beter deel van het dodenrijk; zij vertoefden op de Elysesche Velden, waar het altijd zomer was. Dit aangename verblijf was echter maar voor een enkeling weggelegd.

Hades, de god van de onderwereld, accepteerde alleen die mensen van wie het lijk door de nabestaanden was afgelegd, bewaakt en ter aarde besteld. Indien niet aan deze voorwaarden was voldaan, kreeg de overledene geen toegang tot de onderwereld en was zijn ziel (psyche) gedoemd eeuwig rusteloos rond te dolen tussen leven en dood. De Grieken hechtten hierom zeer veel waarde aan rituelen na het overlijden en een ordentelijke begrafenis.

Ceremonies en herdenkingen

Bij de oude Grieken werd op de sterfdag het lijk gewassen of gebaad, geolied en zo mooi mogelijk gekleed door de naaste (vrouwelijke) familieleden. Het lijk werd op een klin(baar) geplaatst, met de voeten naar de deur gekeerd. Men gaf de overledene een obool in de mond, bestemd om de veerman Charon te betalen. Op de tweede dag werd de dode beweend door familie en vrienden (prothesis). Tijdens dit dodenbeklag sloegen de vrouwen zich op de borst, trokken zij hun haar uit en rolden zij zich in het stof, meestal onder luidkeels uitgeroepen of gezongen klaagliederen. Mannen brachten aan de overledene een afscheidsgroet.

De derde dag was de dag van de uitvaart (ekphora) en de begrafenis (taphos), welke voor zonsopkomst plaats had. De gestorvene werd door zijn vrienden uit huis gedragen, tot buiten de stadsmuren, onder fluitspel en klaagliederen en in laatarchasche en klassieke tijd (vanaf het eind van de zesde eeuw tot circa 300 v.Chr.) soms onder begeleiding van Thracische ruiters. Er werd een klein pleng- en brandoffer (prosphagion) in de buurt van het graf gebracht en de aarde boven het graf (tymbos) werd ingezaaid met koren. Vervolgens ging de familie terug naar het huis van de gestorvene voor het begrafenismaal (perideipnon). Niet alleen het huis van de gestorvene werd gereinigd (bij voorkeur met zeewater), maar ook de bewoners van dit huis en andere directe familie van de overledene. Gedurende deze periode stond een kruik met water buiten de deur als teken van onreinheid (miasma) en voor reiniging van de bezoekers. In de hellenistische tijd (vanaf circa 300 v. Chr.) hing men een haarlok van de dode of een cipressentak aan de deur.

Op de negende dag (ta enata) tenslotte, vonden bepaalde handelingen bij het graf plaats, maar het is ons niet bekend welke. Na een rouwperiode van dertig dagen en de vervulling van ta nomizomena (dat wat gebruikelijk is), nam men weer deel aan het normale sociale leven.

Naast deze rituele handelingen, die direct samenhangen met het overlijden, waren er nog twee officile gelegenheden per jaar waarbij de overledene werd herdacht.Op de Chytroi, de derde dag van de Anthesteria (een lentefeest ter ere van de wijngod Dionysos in februari/maart), meende men dat de geesten van de overledenen naar de bovenwereld terugkeerden. Hierop werd een maaltijd bereid, oorspronkelijk bestemd voor de zielen zelf, maar later in het bijzonder voor Hermes Chthonios (Hermes van de onderwereld). Bovendien nam men op deze dag beschermende maatregelen tegen de geesten: de deurposten werden met pek besmeerd en men kauwde wegedoorn. Ook de tempels bleven op de Chytroi gesloten. Aan het einde van de dag werden de geesten weer naar de onderwereld teruggejaagd met de woorden: “Eruit, geesten van de doden, de Anthesteria zijn voorbij”.

Een tweede gedenkdag was de Genesia, een door de staat ingesteld soort Allerzielen op de vijfde dag van de maand Boedromion (september/oktober). Op deze dag werd een bezoek aan het graf gebracht, waarbij de grafsteen geolied werd en met kransen en banden (taeniae) versierd. Ook werden er offers gebracht. Een dergelijke gang naar het graf zal naar alle waarschijnlijkheid ook plaatsgevonden hebben op de sterfdag van de overledene.

Wijze van begraven: crematie en inhumatie

De Griekse begraafplaatsen

Hoewel het in Athene ook al voor 500 v. Chr. de gewoonte was om de doden buiten de nederzettingen te begraven, komen tot dat tijdstip nog begravingen voor in het bewoningsgebied, bijvoorbeeld in Sparta en Argos. Vanaf de vijfde eeuw v. Chr. echter, was het overal in Griekenland gebruikelijk necropolen (begraafplaatsen) aan te leggen langs de wegen die de stad uit leidden.

Ofschoon in de archasche periode de Atheense necropolen, gelegen langs de wegen die van deagora (het marktplein) naar de haven Phaleron leidden, prestigieus geweest moeten zijn, is de bekendste en voornaamste Oudgriekse necropool in Athene de zogenaamde Kerameikos-begraafplaats, welke van de negende eeuw v. Chr. tot in de Romeinse tijd in gebruik was. Deze begraafplaats, gelegen aan de westzijde van de stad, dankt haar naam aan de buurt waarin ze gelegen is; de zogenaamde Demos Kerameis (de wijk van de pottenbakkers). Het terrein van de Kerameikos-begraafplaats strekt zich uit van de Atheense agora tot aan de Akademie van Plato. Verder grenst het gebied aan de Dromos – een van de belangrijkste toegangswegen naar de stad – en aan de Hermesstraat, waar tegenwoordig het Kerameikos-museum gevestigd is. De Heilige Weg en de rivier de Eridanos lopen dwars over de begraafplaats heen. De antieke stadsmuur, aangelegd in de vijfde eeuw v. Chr., deelt de necropool in tween. In deze stadsmuur bevinden zich twee poorten: de Heilige Poort en de Dipylonpoort, waartussen een heiligdom, het Pompeion, ligt.

Op de Kerameikos trof men naast massagraven voor gesneuvelde Atheners (polyandreia), ook afzonderlijke graven aan voor Atheense krijgslieden en bondgenoten n graven voor hen die zich bijzonder verdienstelijk hadden gemaakt voor de staat. Vr de stadspoort in Athene heeft eens een geplaveide weg van elf meter breed gelegen, welke uitkwam op een plein, waarop in de oudheid grafreden werden gehouden voor hen die in de strijd gesneuveld waren.

Aan de hand van de vele opgravingen gedaan op het terrein van de Kerameikos, is een algemene reconstructie van de Griekse begraafplaatsen mogelijk. Zo is onder meer gebleken dat de grafmonumenten op een hoger niveau gelegen waren dan de wegen die over de begraafplaats liepen. Ook heeft men ontdekt dat het begrafenisterrein oorspronkelijk glooiend was, waardoor de mogelijkheid ontstond tot de aanleg van terrassen, hetgeen een grote afwisseling in de plaatsing van de grafmonumenten veroorzaakte. Op een necropool trof men grote pronkmonumenten van rijke lieden en kleinere monumentjes van minder bedeelden naast elkaar aan. De grafmonumenten lagen met de voorzijde naar de weg gekeerd. In de ruimte achter de monumenten werden de overledenen begraven. De grafcomplexen werden aan de achterzijde betreden. Net zoals onze hedendaagse kerkhoven beplant zijn met prachtige bomen, moeten in de oudheid cipressen, iepen, planten en bloemen de Griekse necropolen gesierd hebben.

Graftypen en grafgiften

De Grieken begroeven hun doden plat op de rug en in het algemeen uitgestrekt. Men kende in hoofdzaak twee typen graven: het putgraf; een eenvoudig rechthoekig gat in de grond, en het kistgraf; een putgraf waarvan de wanden bekleed zijn met platen van steen of terracotta. Vanaf de zevende eeuw v. Chr. treft men in Athene ook begraving in houten kisten of op aanligbedden (klinae) aan en vanaf circa 500 v. Chr. ook in sarcofagen (baulai). Ook rond 500 v. Chr. wordt het dakpangraf (een graf bedekt met dakpannen) gentroduceerd. Dit graftype is zeer populair in de hellenistische periode (circa 300 v. Chr. tot 100 n. Chr.). Voor kinderen nemen vanaf de vijfde eeuw v. Chr. badkuipjes de plaats van potten in.

Vanaf de protogeometrische periode (vanaf ongeveer 1150 v. Chr.) kon over de (duurdere) graven een grafheuvel (tymbos) opgeworpen worden. Bovenop deze heuvel werd doorgaans een grafvaas, beeld of grafsteen geplaatst. Vanaf de zevende eeuw v. Chr. werden er ook grafgebouwtjes opgetrokken. Wanneer er geen grafheuvel of grafgebouwtje was aangelegd, werd de plek van het graf gemarkeerd door stenen, al dan niet voorzien van de naam van de overledene.

Aan het eind van de vijfde eeuw v. Chr. werd bij de meer welgestelden het familiegraf (peribolos) populair. Voor een dergelijk graf werd een stuk grond afgescheiden en naar de weg toe voorzien van een faade. Direct achter de faades werden de grafstenen van de leden van de familie opgesteld. Het graf zelf werd aangegeven door een eenvoudige zuil (koiniskos) met daarop de namen van de overledenen.

In het antieke Griekenland werden aan de doden bijgaven meegegeven in het graf. Grafgiften waren echter geen noodzaak voor de Grieken, daar de doden niet geacht werden lichamelijke behoeftes te hebben in het hiernamaals, behalve op weg naar de onderwereld. In de bijgaven lijkt zich de (vermeende) welvaart van (de familie van) de overledene te weerspiegelen.

Hoewel in vroegere tijden (vanaf circa 1150 v. Chr.) voornamelijk sieraden en wapens werden meegegeven in het graf, raakten deze giften in de orintaliserende en archasche periode (de zevende en de zesde eeuw v. Chr.) uit de mode. Uit deze tijd is enkel aardewerk als grafgift teruggevonden. Dit aardewerk plaatste men meestal niet in de graven, maar op houten offertafels, die in zogenaamde offersleuven gezet werden.

Grieken | Relevante voorwerpen

Bezoek ons: