Klik nogmaals op de knop om de filters te resetten Sluiten

Gouden en messing munten

Omstreeks 280 v.Chr. werden te Rome voor het eerst munten geslagen. Het zou nog bijna twee eeuwen duren voordat de Romeinse muntmeesters de vrijheid kregen beeltenissen van beroemde Romeinse staatsmannen of belangrijke gebeurtenissen uit het verleden op de munten te zetten. De voorkeur van de muntmeesters ging hierbij uit naar voorstellingen die verband hielden met hun eigen familienaam, een voorkeur trouwens die de tegenwoordige muntmeesters niet vreemd is. De befaamde veldheer G. Iulius Caesar verwierf zich in 44 v.Chr. als eerste het recht munten te slaan met zijn eigen portret. Vanaf keizer Augustus wordt het portret van de keizer de gebruikelijke voorstelling op de muntvoorzijde.

De munt was hiermee het massa-communicatiemiddel bij uitstek geworden waardoor alle burgers in het hele Romeinse rijk wisten wie hun keizer was. De beeltenissen gaven zelfs de persoonlijke gelaatstrekken van de heersende vorst weer. Maar behalve zijn portret gaf de keizer op de keerzijde van zijn munten ook persoonlijke boodschappen mee, zijn politieke programma, zijn dynastieke banden, zijn band met de goden, het volk en het leger, zijn grote prestaties, deugden en militaire overwinningen. De boodschappen zijn uitgedrukt in concrete afbeeldingen, allegorien, symbolen en teksten.

Aanvankelijk werden alleen munten geslagen in Rome, maar later ook op veel andere plaatsen in het uitgestrekte Romeinse rijk, o.a. te Lyon en Nmes. In ons land zijn nooit van staatswege Romeinse munten geslagen. Van oudsher berustte bij de Romeinen, in tijden van oorlog, het recht om gouden en zilveren munten te slaan bij de veldheer. Het muntrecht van het kopergeld lag bij de senaat, het hoogste bestuursorgaan ten tijde van de republiek. Sedert keizer Augustus was het laten slaan van gouden en zilveren munten aan de keizer voorbehouden, de senaat behield slechts het muntrecht van het kopergeld. Op de keerzijde van koperen en messing munten staat meestal de afkorting SC, senatus consulto (bij senaatsbesluit), een vaste formule die dit recht van de senaat weergeeft.

Het randschrift van de munten uit de Romeinse keizertijd is volgens een vast schema opgebouwd. Het eerste deel, op de voorzijde, begint met het predikaat Imperator en geeft vervolgens de persoonlijke namen, de erenamen en triomftitels van de vorst. Het tweede deel, dat meestal op de keerzijde staat, geeft de ambtstitels: het pontificaat, de tribunicische macht, de imperia, het consulaat en tenslotte de eretitel pater patriae, alle in afgekorte vorm.

Deze gouden munt (aureus, h. 1.9 cm) toont de kop van keizer Tiberius, de opvolger van Augustus, die regeerde van 14 tot 37 na Chr. Het randschrift luidt: TI CAESAR DIVI AVG F AVGVSTVS hetgeen betekent: Ti(berius) Caesar Augustus, zoon van de vergoddelijkte Augustus.De munt is gevonden tijdens de opgravingen van het Romeinse castellum te Valkenburg (Z.H.) in een laag behorend tot de tweede bouwfase van het castellum. Dit tweede castellum werd in 47 na Chr. verwoest door een inval van Chaukische zeerovers.

De andere munt, een messing sestertius van keizer Nero, is geslagen tussen 64 en 66 na Chr. in Lugdunum (Lyon). De datering valt op te maken uit de tekst van het randschrift op de voorzijde van de munt. De afbeelding laat de keizer zien die, staande naast een tweede persoon, vanaf een podium drie soldaten toespreekt. Op de achtergrond van het tafereel zijn drie zuilen van een gebouw te zien. In het veld staan de letters SC, senatus consulto. In de afsnede staat de tekst: ADLOCUT COH, hetgeen betekent: toespraak tot de troepen. De adlocutio, plechtige toespraak tot de troepen (cohortes), komt vanaf keizer Caligula voor op Romeinse munten om de band van de keizer met het leger te benadrukken.

De munt heeft een uitzonderlijk mooi patina, te danken aan het feit dat hij in het water bewaard is gebleven. Het stuk is in 1978 opgebaggerd uit de Maas bij Kessel (gemeente Lith, N.Br.).

Romeinen | Relevante voorwerpen

Bezoek ons: