Klik nogmaals op de knop om de filters te resetten Sluiten

Gudea van Lagash

Rond 2200 v.Chr. komt er in Mesopotami een einde aan het machtige rijk van Akkad, dat zich eens uitstrekte van de Perzische Golf in het oosten tot de Middellandse Zee in het westen. Opstanden en invallen tastten het gezag aan van Naram-sin en diens zoon Shar-kalli-sharri, elk Koning van Akkad, Koning van Kish, Koning van de Vier Windrichtingen. De ineenstorting van het centrale gezag leidde een periode van verwarring en onrust in, zoals duidelijk verwoord in de Sumerische koningslijst: Wie was koning? Wie was geen koning? Traditioneel wordt de ondergang van Akkad geweten aan het optreden van de Guteers, een volk uit de bergen aan de oostgrens van Akkad (het Zagros-gebergte op de grens van het moderne Irak en Iran). In oude teksten worden de Guteers omschreven als hordes van barbaren en veedieven, wier taal als het blaffen van honden was. Opmerkelijk is evenwel dat de bronnen verhalen dat de Akkadirs hun ondergang aan zichzelf te danken hebben door zich de woede op de hals te halen van Enlil, de hoofdgod van het Sumerische pantheon. In een tekst bekend als De vloek van Akkad wordt koning Naram-sin beschuldigd van de plundering van de stad Nippur en van de ontheiliging van Enlil’s tempel in deze stad. Een woedende Enlil stuurt daarop de Guteers, de slang, de schorpioen van de bergen, teneinde de heiligschennis te wreken en Akkad onder te dompelen in geweld, onrecht en hongersnood.

Akkad viel uit elkaar in een aantal kleine en zelfstandige, rivaliserende stadstaten, die pas na 50 jaar weer in n rijk gebracht werden door Ur-Nammu (2112-2095 v.Chr.), de eerste vorst van de befaamde Derde Dynastie van Ur (2112-2004 v.Chr.). Vooral het noorden van Akkad lijkt onder de Guteers geleden te hebben; de steden in het zuiden daarentegen kenden een zekere rust en bloei, voorop Lagash, de stad van Gudea (2143-2124 v.Chr.). Gudea is vooral bekend om het grote aantal beelden van dioriet die hij van zichzelf liet maken, en om de talrijke inscripties, waaronder de grote hymne voor de herbouw van de tempel van Ningirsu. Naast dertien staande en zeven zittende Gudea-beelden zijn ook een tiental losse, van de romp gescheiden hoofden bekend; n van de meest gaaf bewaarde voorbeelden is het 14 cm hoge, van zwart dioriet of van een nauw verwante steensoort vervaardigde hoofd dat zich in het Rijksmuseum van Oudheden bevindt. Het is overigens niet helemaal zeker of het hier werkelijk om een Gudea-afbeelding gaat; zulks is immers alleen mogelijk indien een op het beeld aangebrachte inscriptie de afgebeelde persoon als zodanig identificeert. In het geval van dit Gudea-hoofd ontbreekt een dergelijke inscriptie en berust de identificatie op stilistische overeenkomsten met wl-gedentificeerde beelden en op gegevens omtrent de herkomst. Recentelijk is verondersteld dat veel van de Gudea-beelden in musea en andere verzamelingen moderne vervalsingen zijn, een probleem dat welhaast onoplosbaar is gezien het feit dat veel van de beelden uit de kunsthandel afkomstig zijn en dat als zodanig hun precieze herkomst moeilijk (zo niet onmogelijk) te traceren is. Vooralsnog lijkt er echter weinig gegronde reden te bestaan voor een twijfel aan de echtheid van het Gudea-hoofd in onze collectie.

Het evenwichtig en fijn gemodelleerde hoofd toont nauwgezet alle anatomische details, waarbij vooral de grote ogen en de geprononceerde oogleden en wenkbrauwen veel aandacht krijgen. Het hoofd is getooid met de voor veel Gudea-beelden kenmerkende bontmuts of tulband, versierd met in rijen aangebrachte spiraalvormige krullen. Karakteristiek is ook het ontbreken van een baard; hoogstwaarschijnlijk was, op de wenkbrauwen na, de rest van het hoofd eveneens kaalgeschoren (geen enkele van de bekende hoofden toont haarlokken onder de tulband, terwijl de Gudea-koppen zonder tulband elk een geheel kaalgeschoren hoofd tonen). De zeer naturalistisch gelaatstrekken verlenen het hoofd toont een zekere levendigheid, maar stralen daarnaast rust en waardigheid uit en onderstrepen het piteitsvolle karakter van het oorspronkelijke beeld. Zoals de meeste Sumerische sculptuur was het beeld bedoeld om in de tempel en voor het aanzicht van de godheid geplaatst te worden. Dit blijkt overduidelijk uit de meer kompleet bewaarde sculpturen, soms voorzien van wij-inscripties, die elk een zittende of staande Gudea tonen, met de handen samengevouwen voor de borst in gebaar van gebed. Gudea verzekerde zich aldus van een permanente voorbede en aanwezigheid voor de godheid, en van diens voortdurende bescherming.

Gudea droeg de titel van ensi, een term waarvan de precieze betekenis nog onduidelijk is, maar die grofweg vertaald kan worden als stadsvorst. Mogelijk bevat ensi een verwijzing naar de titelen, gedragen door de hogepriesters van Ur en Uruk. Deenwerd beschouwd als de zaakwaarnemer van de stadsgod of -godin. Als geen ander vorst wekt Gudea de indruk een door en door vroom heerser geweest te zijn, wiens leven en daden geheel in dienst van de goden stonden. Aan elke handeling van Gudea lijkt een diep religieus besef ten grondslag gelegen te hebben: in vrijwel al zijn officile inscripties, in wij-inschriften en in stichtingsoorkonden maakt Gudea gedetailleerd melding van zijn omvangrijke religieuze taken en verplichtingen, van zijn voortdurende zorg voor de goden, van de vervaardiging van beelden en stles voor de tempel, van het bouwen en herbouwen van tempels. Ook de jaren werden genoemd naar de bouw van tempels of de benoeming van priesters (dit oude gebruik om elk nieuw jaar te noemen naar de meest belangrijke gebeurtenis van het voorafgaande jaar zou nog vele eeuwen lang gehandhaafd blijven).

Lijkt Gudea’s wereldlijk handelen vooral door religieuze overwegingen bepaald te worden, het omgekeerde zal zeker ook een rol gespeeld hebben. De suggestie dat elk wereldlijk optreden in eerste instantie in dienst van de goden stond, maakte zijn positie als machthebber onaantastbaar. Immers, elk verzet of tegenspraak zou betekenen dat men de rechten van de goden aantastte, dat men in opstand kwam tegen de goden zelf. Zo kan ook de plaatsing van zijn beelden in de belangrijke heiligdommen van diverse steden, waaronder Lagash en Girsu, als een vorm van propaganda beschouwd worden: de vorst is alom aanwezig en steeds onder bescherming van de goden die hij met geschenken en daden mild stemt. Ook het gebruik van dioriet en andere harde steensoorten voor de vervaardiging van sculpturen toonden de invloed en reikwijdte van Gudea’s macht aan. Daar deze steensoorten in het aan grondstoffen arme Mesopotami niet aanwezig waren, moesten zij uit verre streken gehaald worden en golden zij als uiterst kostbaar.

De voorwerpen | Relevante voorwerpen

Bezoek ons: