Klik nogmaals op de knop om de filters te resetten Sluiten

Inleiding Archeologie van het Nabije Oosten

1. Het archeologisch onderzoek in het Nabije Oosten

Het archeologisch onderzoek in het Nabije Oosten, ruim een eeuw oud, richt zich traditioneel op het uitgestrekte gebied dat door de moderne staten Turkije, Libanon, Isral, Jordani, Syri, Irak en Iran is afgebakend. Recent vindt echter ook onderzoek plaats in Saoudi-Arabi, Jemen en de diverse sultanaten langs de Perzische Golf. Het gebied heeft een grote variatie en toont schrille contrasten in geografisch en klimatologisch opzicht. In het noorden en oosten wordt het Nabije Oosten begrensd door de bergen van Anatoli (het huidige Turkije) en Iran, in het westen door het bergland en de kustvlakten van de Levant en in het zuiden door het Arabische massief. Het binnenland wordt vooral gekarakteriseerd door eindeloze, zonverbrande steppes en woestijnen doorsneden door de vruchtbare, groene valleien van Eufraat en Tigris en hun zijrivieren. Landbouw is slechts mogelijk in de hooglanden en in de zogenaamde Vruchtbare Halvemaan, die zich uitstrekt van het Levantijnse kustgebied, langs het bergland in het noorden en noordoosten tot aan de Perzische Golf. Vooral in het zuiden is irrigatie vereist. Sedert ongeveer 6000 v.Chr. lijkt er, in grote lijnen, weinig veranderd te zijn in het klimaat van het Nabije Oosten, dat vooral gekenmerkt wordt door lange, hete zomers en weinig tot zeer weinig jaarlijkse neerslag. In de vlakten langs de Middellandse-Zeekust en in de berglanden van Anatoli en Iran zijn de omstandigheden wat gunstiger, zij het dat in deze streken de winters koud, guur en vol sneeuw zijn.

Berichten en verslagen van 18de en 19de-eeuwse reizigers en diplomaten brachten Europa voor het eerst op de hoogte van de oudheden van de landen ten oosten van de Middellandse Zee. De spectaculaire ontdekkingen, tussen 1842 en 1852, van monumentale paleizen en tempels in de Assyrische koningssteden Khorsabad, Ninive en Nimrud in Noord-Irak wekten grote belangstelling. Antiquiteiten werden en masse verscheept naar Londen en Parijs, en later ook naar Berlijn en andere Europese hoofdsteden, waar het publiek zich vergaapte aan de imposante kunstwerken van Mesopotami, het Tweestromenland van Eufraat en Tigris (grofweg het huidige Irak). De wereld van de bijbel kreeg een tastbare achtergrond. Onvermoede, duizenden jaren oude beschavingen kwamen aan het licht, culturen die de Griekse en Romeinse wereld diepgaand benvloed hadden en die daardoor ook de moderne Europese beschaving raakten. Te zamen met de Nijlvallei werd Mesopotami bestempeld als de bakermat van de beschaving in het Nabije Oosten. Echter, in tegenstelling tot het monolithisch karakter van de Egyptische cultuur n koning, n volk, n taal, n rivier kende Mesopotami een fascinerende veelvuldigheid van volkeren, talen, vorsten en staten. Een vergelijkbare culturele variatie treft men aan in de aan Mesopotami grenzende gebieden. Lange tijd werd het rijke cultuurgoed van deze gebieden, wanneer vergeleken met Mesopotami, als ontwikkeling van tweede garnituur beschouwd en als afgeleide van eerder in gang gezette processen in het Tweestromenland. Het recente onderzoek in Syri, Iran en Anatoli laat evenwel overduidelijk de onjuistheid van deze veronderstelling zien.

Door de uitgestrektheid van het gebied zal het niemand verbazen dat het archeologisch onderzoek hier nog grotendeels werk op onontgonnen terrein is. Bovendien zijn sommige streken uit politiek of militair oogpunt nauwelijks toegankelijk voor archeologen. Zo maakte de burgeroorlog in Libanon een einde aan het onderzoek in dit land, sloot Iran na de val van de shah zijn grenzen voor archeologen en is door de crisissituatie en de oorlog het werk in Irak op dit moment volledig stilgelegd.

2. Kleitichels en runeheuvels

Als bouwmateriaal werden (en worden) in het Nabije Oosten voornamelijk kleitichels gebruikt, met de hand of in een mal gevormd uit een mengsel van klei, water en fijngehakt stro en in de zon gedroogd. Steen en hout waren, zeker in de steppes van Mesopotami en het aangrenzende Syri, betrekkelijk zeldzame grondstoffen, die uit verre streken gehaald moesten worden en die veelal slechts gebruikt werden voor funderingen en dakbedekkingen. Klei daarentegen is in onuitputtelijke hoeveelheden aanwezig, kan eenvoudig verwerkt worden en heeft uitstekende thermische eigenschappen (huizen van kleitichels zijn relatief koel in de zomer en warm in de winter). Muren van klei zijn uiteraard gevoelig voor weer en wind, en vereisen jaarlijks onderhoud: kort voordat de eerste regen komt, dienen de muren en daken van een nieuwe afdekkingslaag van klei voorzien en scheuren en gaten gerepareerd te worden. Indien voldoende onderhouden, kunnen gebouwen van kleitichels makkelijk enige tientallen jaren in gebruik blijven. In een archeologische context is de conservatie van dergelijke architectuur afhankelijk van diverse natuurlijke en culturele factoren. In sommige gevallen zijn de bewaarde resten zeer gering, in andere omstandigheden staan de muren nog metershoog.

Karakteristiek voor het Nabije Oosten zijn de talrijke tells, dominant aanwezig in het veelal vlakke landschap. Een tell (Arabisch voor runeheuvel; soms ook wel khirbet, tepe of, in Turkije, hyk genoemd) is een door mensenhanden gevormde heuvel en bestaat, eenvoudig gesteld, uit een aantal op elkaar volgende bouw-, verwoestings- of erosielagen, die een steeds hogere en aan de basis steeds omvangrijkere heuvel deden ontstaan. Het aanzien van een tell onderging voortdurend aanpassingen, alnaargelang de wensen en eisen van de bewoners. Een voortdurende bouw, herbouw of afbraak van huizen en andere structuren vond plaats, delen van een tell werden afgegraven of met aarde aangevuld, sommige kwartieren van de nederzetting werden eenvoudigweg opgegeven of juist intensiever gebruikt, en wat dies meer zij. Werd een nederzetting, of een deel daarvan, eenmaal verlaten, dan vond een snelle ineenstorting en afdekking van de bestaande structuren plaats als gevolg van verwering door water, wind en de activiteiten van plant en dier.

Afhankelijk van de aard en de omvang van de oorspronkelijke nederzetting kunnen tells uiteraard sterk in omvang van elkaar verschillen. Sommige zijn maar 20 30 meter in doorsnede en nauwelijks zichtbaar in het landschap, andere daarentegen hebben een diameter van enige kilometers en rijzen meer dan 50 m uit de vlakte omhoog. Ook de duur van de bewoning kon nogal verschillen: kleine tells hebben soms slechts n of twee bouwlagen en werden hooguit enige tientallen jaren bewoond, terwijl andere heuvels tientallen bouwlagen bevatten en gedurende duizenden jaren voortdurend in gebruik waren.

3. De vroege dorpen

De vroegste dorpen, te dateren omstreeks 12.000 v.Chr., zijn tot nog toe aangetroffen bij intensief onderzoek in het mediterrane kustgebied. Deze vestigingen bevinden zich vooral in grotten en op terrassen langs rivieren en meren, maar ook in gebieden als de Negev-woestijn. Het gaat hier om kleine en waarschijnlijk permanent bewoonde dorpen van half-ondergrondse, ronde huizen. De jacht, visserij en het verzamelen van wilde vruchten en granen vormden de bronnen voor het levensonderhoud.

In het negende en achtste millennium v.Chr. vonden geleidelijke veranderingen plaats in de structuur en de aard van de nederzettingen. De dorpen werden groter, rechthoekige architectuur en verdedigingswerken deden hun intrede. Een nederzetting als Jericho besloeg in deze periode een oppervlakte van ongeveer vier hectaren, en werd waarschijnlijk bewoond door enige honderden personen. Jericho was omgeven door een grote, 1,6 m brede, stenen muur, die bewaard is gebleven tot een hoogte van 2 m. Aan de buitenzijde was dezes muur omgeven door een 2 m diepe en 8,5 m brede gracht, terwijl aan de binnenkant een 8 m hoge, ronde toren stond. Jericho onderhield handelscontacten met diverse, soms ver afgelegen streken: obsidiaan werd verkregen uit Turkije, turkoois uit de Sina, schelpen uit de Rode Zee, en zout en bitumen uit de Dode Zee. In Jericho werden schedels gevonden die gecompleteerd waren met gips, en schelpen ter indicatie van de ogen. Deze bepleisterde en soms beschilderde schedels, die ook in andere opgravingen zijn gevonden, zijn mogelijk overblijfselen van een voorouderverering.

De eerste echte landbouwdorpen ontstonden in het zevende millennium v.Chr. Uit deze tijd stammen de vroegste aanwijzingen voor de domesticatie van planten en dieren: akkerbouw en veeteelt behoorden tot de verworvenheden. Honderden nederzettingen uit deze periode zijn bekend, waarvan sommige groter dan 10 ha. Recente opgravingen in Jordani en Turkije leverden spectaculaire vondsten, zoals rijke graven onder huizenvloeren, bijna n meter hoge beelden van klei en manshoge, bewerkte stles uit steen. Nederlandse opgravingen in Bouqras in Oost-Syri, een vestiging te dateren tussen 6400-5900 v.Chr., geven aanwijzingen voor een sterk planmatig aangelegde nederzetting, met rechthoekige huizen ingedeeld in kleine kamers. Bouqras was bijna 3 ha groot en lijkt bewoond te zijn geweest door 800 1000 personen. In enkele huizen werden wandschilderingen aangetroffen, met afbeeldingen van kraanvogels en mensenhoofden (n hiervan met ogen ingelegd met obsidiaan). Eerder werden wandschilderingen gevonden in atal Hyk in Centraal-Turkije, te dateren in het vroege zesde millennium v.Chr.

Omstreeks 6000 v.Chr. werd het eerste aardewerk in het Nabije Oosten vervaardigd. Het vroegste aardewerk is over het algemeen ruw gemaakt, heeft weinig vormvariatie en is onversierd. Omstreeks het midden van het zesde millennium lijkt het beschilderen van ceramiek echter regel te worden, een traditie die meer dan 2000 jaar stand zou houden. Regionale differentiatie in culturele ontwikkelingen wordt nu duidelijk aanwijsbaar. De productie van aardewerk lijkt meer en meer in de handen van specialisten in specifieke centra te geraken, die zorg droegen voor een wijde verspreiding via uitgebreide handelsnetwerken.

In het zuiden van Mesopotami ontwikkelde zich omstreeks 5000 v.Chr. de Ubaid-cultuur, die zich omstreeks het midden van het vijfde millennium naar Noord-Mesopotami en, in beperkte mate, naar het aangrenzende Syri verspreidde. Het aardewerk was aanvankelijk druk beschilderd, doch omstreeks 4000 v.Chr. werd het arbeidsintensieve beschilderen steeds meer achterwege gelaten, om te kunnen voldoen aan de steeds grotere vraag vanuit de groter wordende gemeenschappen.

In Mesopotami werd het Ubaid-aardewerk in min of meer identieke uitvoering over een uitgestrekt gebied verspreid. In de omliggende gebieden behouden echter de diverse gemeenschappen en regio’s een veel grotere mate van autonomie, met een sterk lokaal-gebonden traditie. Zo maakte bijvoorbeeld Iran in veel opzichten een geheel eigen, onafhankelijke ontwikkeling door; het ontoegankelijke bergland in het westen en de Iraanse hoogvlakte in het oosten fungeerden als natuurlijk barrires, die de lokale gemeenschappen afsloten van de omringende wereld.

Uit het vroege vierde millennium stamt de elegante, crmekleurige beker uit Tepe Sialk, een technisch hoogstandje. De beker toont aan weerszijden een hert met een enorm gewei en een vogel op de rug. Dergelijke naturalistische motieven van herten, vogels, schorpioenen, slangen of leeuwen zijn karakteristiek voor Sialk en andere vroege Iraanse vestigingen, doch komen nauwelijks voor op het aardewerk van het Tweestromenland.

4. Steden, staten en rijken

4.1. Het late vierde en derde millennium v.Chr.

In de late Ubaid-tijd en zeker in de hierop volgende Uruk-periode (3600-3000 v.Chr.) werden de aanzetten gegeven tot urbanisatie en de vroege statenvorming in Mesopotami. Monumentale tempels en paleizen werden opgericht, grote verdedigingswerken gebouwd, de economie lijkt meer en meer centraal bestuurd te worden en kort na 3400 v.Chr., met de uitvinding van het schrift, neemt de geschiedenis van Mesopotami een aanvang. Irrigatielandbouw werd nu op grote schaal bedreven, gestuurd en georganiseerd vanuit de tempel, ht centrum van het economische, politieke en sociale leven. Complementair aan de tempel was het paleis: de vorst was opperpriester of voorman in belangrijke ceremonin, en droeg zorg voor de bouw en herbouw van heiligdommen, de aanleg van irrigatiekanalen, de uitbouw van de handel en de veiligheid van stad en land. Ter ondersteuning van de activiteiten van tempel en paleis was een groot ambtenarenapparaat in het leven geroepen. Een sterk hirarchische samenleving ontwikkelde zich.

In het late vierde en vroege derde millennium v.Chr. ontstonden ware steden in Mesopotami, met als belangrijkste centrum Uruk. Omstreeks 3200 v.Chr. was Uruk 80 ha groot en had de stad een bevolking van meer dan 10.000 personen. Omstreeks 2700 v.Chr. omvatte Uruk zelfs enige honderden hectaren en had de stad naar schatting 50.000 inwoners! Andere belangrijke stadstaten in het land dat door de bewoners Sumer werd genoemd waren Eridu, Lagash, Umma, Sippar, Ur en de heilige stad Nippur, steden die in een niet aflatende strijd verwikkeld waren om elkanders grond en water. In Centraal-Mesopotami, het latere Babyloni, huisden naast de Sumerirs, een volk met een taal die men nog in geen enkele taalfamilie heeft weten onder te brengen, ook stammen die een Semitische taal spraken en die waarschijnlijk van oorsprong nomaden waren. Behalve de talrijke interne strubbelingen, waren het vooral de infiltrerende nomadische stammen uit de steppe in het westen, zoals de Amorieten, Arameers en Chaldeers, die voortdurend de macht van de Mesopotamische steden ondermijnden. Ook de bergvolkeren aan de grenzen in het noordoosten barbaren in de ogen van de Mesopotamirs golden als een bedreiging. Tweemaal liepen deze stammen uit de bergen het Tweestromenland onder de voet: eerst de Guteers omstreeks 2150 v.Chr., vervolgens de Kassieten in het late tweede millennium (ca. 1500-1150 v.Chr.).

Omstreeks 2330 v.Chr. slaagde de Semiet Sargon erin door een paleisrevolutie aan de macht te komen en vervolgens de Sumerische staten aan zich te onderwerpen. Sargon mogelijk een bastaardzoon van een priesteres van de tempel van Kish, over wie een latere legende verhaalt dat hij als baby in een mandje in de rivier was gezet noemde zich koning van Kish en stichtte een nieuwe (tot op heden niet gelokaliseerde) hoofdstad: Agade of Akkad, waarnaar het koninkrijk dat hij stichtte en de taal die hij sprak zijn genoemd. Sargon bracht in de 56 jaar die hij regeerde een machtig rijk tot stand. Akkad beleefde zijn hoogtepunt echter onder Sargons kleinzoon Naram-Sim (2254-2218 v.Chr.), die zich als een god liet vereren en de titels droeg van Koning van Kish, Koning van Akkad, Koning van de Vier Windrichtingen. Akkad reikte nu van de Perzisch Golf tot aan de Middellandse Zee. Enige decennia later, onder koning Shar-Kalli-Sharri, leidden bestuurlijke en economische tegenslagen, opstanden en de invallen van de Guteers echter tot de ondergang van Akkad.

Vooral het noorden van het voormalige koninkrijk Akkad maakte moeilijke tijden door. In het zuiden daarentegen herstelden Sumerische vorsten hun oude machtspositie en ving een periode van rust en voorspoed aan: de neo-Sumerische renaissance. Overal verrezen heiligdommen, waaronder de ziggurats, gigantische, tientallen meters hoge tempeltorens, opgetrokken uit kleitichels. In de stad Lagash heerste de vrome Gudea, tot in onze dagen bekend door de vele beelden van zijn gestalte en de inscripties gewijd aan de bouw van tempels. Ur-Nammu, een heerser uit Ur, brak de macht van de autonome neo-Sumerische stadstaten en bracht hen samen in n rijk, bekend als de Derde Dynastie van Ur (2112-2004 v.Chr.). Op zijn hoogtepunt was het Ur III-rijk van gelijke omvang als Akkad, in stand gehouden door een ambtenarenapparaat van ongekende omvang. Tienduizenden kleitabletten geven een minutieus beeld van de maatschappij van deze tijd; zij illustreren echter tevens de ondergang van de Derde Dynastie. De brieven tussen Ibbi-Sin, de laatste koning, en zijn gouverneurs in het noorden maken melding van de zware militaire nederlagen die geleden werden tegen de invallende Amorieten. Steeds verder brokkelde het rijk af, totdat Ibbi-Sins macht uiteindelijk nauwelijks nog verder reikte dan de stad Ur zelf. Behalve het binnendringen van de nieuwe Semitische stammen brachten ook interne moeilijkheden de val van Ur III naderbij: de steeds ernstiger verzilting van het land, die men het hoofd trachtte te bieden door een uitbreiding van het net van irrigatiekanalen en het in gebruik nemen van nieuw land, was onstuitbaar. Teksten maken melding van steeds verder stijgende graanprijzen en grote hongersnoden bleken onafwendbaar. Met de ineenstorting van het Ur III-rijk verdwenen de Sumerirs in Mesopotami voorgoed van het toneel.

In de aan Mesopotami grenzende gebieden lijkt de ontwikkeling van de vroege steden en staten van kleinschaliger aard te zijn geweest. Kleine stadstaatjes ontstonden, ontsproten aan lokale culturele tradities en met elk een grote mate van autonomie. De invloed van Mesopotami is echter al in een vroeg stadium merkbaar in de randgewesten. Omstreeks 3200 v.Chr. onderhielden de stedelijke samenlevingen in het aan grondstoffen arme zuiden van Mesopotami intensieve handelscontacten met Syri, Turkije en Iran. Hier ontstonden nederzettingen, die qua materile cultuur identiek zijn aan die van Zuid-Mesopotami. In specifieke regios, zoals het Eufraatdal in Syri, lijkt kolonisatie plaats gevonden te hebben vanuit Zuid-Mesopotami. Grote nederzettingen met verdedigingswerken en monumentale tempelarchitectuur waren via een keten van kleine handelsstations verbonden met lokale Syrische nederzettingen en het Turkse achterland. Hier werden de noodzakelijke grondstoffen vergaard en vervolgens naar Zuid-Mesopotami getransporteerd.

De centrale rol die Syri in het handelsverkeer innam (het land fungeerde als een natuurlijke verbindingsweg tussen de Mesopotamische laagvlakten in het oosten, het Turkse hoogland in het noorden en het Levantijnse kustgebied en Egypte in het westen), bleef ook later gehandhaafd. Byblos aan de kust van de Middellandse Zee groeide uit tot een invloedrijk centrum, dat nauwe contacten onderhield met o.a. Egypte. Uit historische bronnen uit de periode 1900-1500 v.Chr. is bekend dat karavanen vanuit Zuid-Mesopotami naar het noorden trokken en via de Syrische steppe handelsnederzettingen in Turkije en het westen van Syri aandeden, o.a. Emar-Meskene, een havenstad aan de Eufraat in het koninkrijk Aleppo. Syri beleefde in het derde millennium v.Chr., de Vroege Bronstijd, een periode van grote voorspoed. Honderden grote en kleine nederzettingen zijn bekend, sommige met grote paleizen, tempels en hoge stadsmuren. Machtige koninkrijken ontstonden, zoals Ebla in het westen en Mari in het oosten, rijken die zich lange tijd konden meten met de staten in Mesopotami. Aan de bloeitijd kwam een einde toen Ebla omstreeks 2300/2250 v.Chr. door Sargon van Akkad of diens kleinzoon Naram-Sin verwoest werd. Mari werd aan het Akkadische rijk gekoppeld door een uitgekiende diplomatie en door huwelijksovereenkomsten. Elders vonden nieuwe stichtingen plaats, zoals bijvoorbeeld te Selenkahiye, een ommuurde stad aan de Eufraat, gedeeltelijk opgegraven door Nederlandse archeologen in de jaren zeventig. Veel plaatsen werden echter tegen het einde van het derde millennium verlaten.

In tegenstelling tot de gemeenschappen in de valleien en vlakten van Syri, waar de politieke ontwikkeling in het late derde millennium nauw gekoppeld was aan die van Mesopotami, lijkt het erop dat de nederzettingen in het bergland van Anatoli vooral aansluiting zochten bij de culturen van Transkaukasi en West-Iran. Karakteristiek is het zwart gepolijste aardewerk, dat een wijde verspreiding vond, van Georgi in het noorden tot in de regio van Kermanshah en Hamadan in het oosten, tot en met het Levantijnse kustgebied in het zuidwesten. De rijkdom van Anatoli in deze tijden wordt gellustreerd door o.a. de Trojaanse schat van Priamos, teruggevonden aan het einde van de 19de eeuw door Heinrich Schliemann, en de vorstengraven van Alaca Hyk in het noordoosten. Befaamd zijn de standaarden van Alaca Hyk met metalen bekroningen in de vorm van stieren.

4.2. Het tweede millennium v.Chr.

Na de val van de Derde Dynastie van Ur in Mesopotami verschoof het machtscentrum aanvankelijk naar het noorden. Assur groeide uit tot hoofdstad van het Oud-Assyrische rijk en onderhield handelscontacten tot diep in Anatoli. Talrijke Assyrische handelsnederzettingen werden gesticht in het Anatolische bergland, met als centrum karum Kanesh, het moderne Kltepe. Duizenden kleitabletten geven een gedetailleerd beeld van de Assyrische activiteiten en tonen aan dat het de Assyrirs vooral ging om zilver, goud en koper, in ruil waarvoor textiel en vooral tin geleverd werd.

In het zuiden van Mesopotami vochten vooral de steden Isin en Larsa om de macht, doch uiteindelijk was het het tot dan toe onbeduidende Babylon dat de macht in handen kreeg. Sumu-Abum, een Amoriet wiens voorvaderen hadden bijgedragen aan de ondergang van het Ur III-rijk, stichtte in 1894 v.Chr. de eerste dynastie van Babylon en ruim honderd jaar later bracht de grote Hammurabi de Mesopotamische stadstaten weer samen tot n rijk. Hammurabi onderwierp Assur, en maakte daarmee een einde aan de profijtelijke commercile relaties die Assur onderhield met Anatoli. Hij drong door tot in Syri, waar het Amoritische vorstendom Mari werd ingenomen, een klap waarvan deze ooit zo bloeiende stad zich niet meer herstelde. Elders in Syri wisten Amoritische staatjes, zoals Ebla, Aleppo en Alalakh, geregeerd door families die nauw met elkaar verbonden waren door huwelijken of andere familiebanden (zo zette omstreeks 1700 v.Chr. de koning van Aleppo zijn broer op de troon in Alalakh), eeuwenlang hun onafhankelijkheid te behouden en tot grote bloei te komen.

In 1595 v.Chr. was het afgelopen met de eerste dynastie van Babylon: Hettitische legers onder koning Mursilis I namen Babylon in en verwoestten de stad. De ondergang van Babylon schiep een machtsvacum in Mesopotami, uiteindelijk ingevuld door invallende stammen uit het bergland van West-Iran, de Kassieten. Een Kassitische dynastie vestigde zich in Babylon, die zich handhaafde tot ongeveer 1150 v.Chr.

In het noorden van Mesopotami, in het gebied van het voormalige Oud-Assyrische rijk, kwamen Hurritische stammen aan de macht en werd het rijk Mitanni gesticht, met als hoofdstad Wassukanni, een nog niet gelokaliseerde stad die in het noorden van Syri of het zuiden van Anatoli gezocht moet worden. In de periode tussen 1500 en 1350 v.Chr. strekte het Hurritische rijk zich uit van Oost-Irak tot aan de Middellandse Zee en vormde Mitanni een geduchte macht, die zich kon meten met het grootrijk der Hettieten in Centraal-Anatoli of het faraonische Egypte. In de late veertiende eeuw v.Chr. brachten de Hettieten evenwel Mitanni een zware militaire nederlaag toe, en verzwakte het rijk sterk. De dood van koning Tushratta omstreeks 1355 v.Chr. leidde bovendien tot grote strijd omtrent de opvolging (waarin de Hettieten actief participeerden), hetgeen Mitanni uiteindelijk reduceerde tot een van de Hettieten afhankelijke bufferstaat tegen het steeds machtigere Assyri in het oosten.

De Assyrirs, ooit vazallen van Babylon en naderhand van Mitanni, herstelden onder Assur-uballit I (1363-1328 v.Chr.) hun onafhankelijkheid en stichtten het Midden-Assyrische koninkrijk, dat in snel tempo een politiek van expansie begon en uitgroeide tot een supermacht. De Assyrische koning Adad-nirari I stelde daarop in een brief aan een niet gedentificeerde Hettitische grootkoning (Hattusilis III?) ook recht te hebben op de titel van grootkoning, aanvankelijk echter met weinig succes. In een spottend antwoord werd Adad-nirari te kennen gegeven: Zijn u en ik soms geboren uit dezelfde moeder? Aangezien mijn vader en mijn vaders vader niet geschreven hebben aan de koning van Assyri over broederschap, zo hoeft ook u mij niet te schrijven over broederschap en grootkoningschap.

De Assyrirs beschouwden de Eufraat, met het Hettitische bolwerk Karkemish, als de grens van hun rijk in het westen. Aanvankelijk was de Assyrische heerschappij in de Syrische gewesten gebaseerd op vazalverdragen met lokale heersers en militaire dreiging. Voortdurende opstanden deden evenwel in het midden van de dertiende eeuw v.Chr. koning Shalmaneser I besluiten de gewesten in te lijven. Er kwamen nu Assyrische gouverneurs, permanente garnizoenen en Assyrische bestuurszetels: Syri tot aan de Eufraat werd een reguliere provincie van Assyri.

Syri ten westen van de Eufraat en het Levantijnse kustgebied vormden het strijdtoneel tussen de twee andere supermachten van deze tijd: het Hettitische grootrijk en Egypte. Hoogtepunt vormde de slag bij Qadesh in 1286 v.Chr. tussen farao Ramses II en grootkoning Muwatallis: de strijd zelf eindigde waarschijnlijk onbeslist, maar mondde wel uit in een vredesverdrag en het vaststellen van de grenzen en invloedssferen. De talrijke Levantijnse vorstendommetjes pasten zich behendig aan aan de voortdurend veranderende politieke situatie; ofschoon tribuutplichtig, wisten zij een grote mate van vrijheid te behouden in hun economisch handelen. De steden aan de kust groeiden uit tot metropolen, waar producten uit de gehele toenmalig bekende wereld verhandeld werden.

Omstreeks 1200 v.Chr. ving een duistere en nog maar zeer ten dele begrepen periode in het Nabije Oosten aan. De Levantijnse kuststreken werden geteisterd door de zogenaamde Zeevolkeren, hetgeen tot de ondergang leidde van talloze steden. In het oosten werd het einde van de macht van Assyri ingeluid met een paleisrevolutie en de moord op koning Tikulta-ninurta I. Verschillende families grepen nu in de hoofdstad naar de macht en Assyri viel uiteen in rivaliserende groeperingen. De verzwakking van de centrale macht gaf lokale heersers en Aramese stammen in de provincies een kans het Assyrische juk af te werpen en opnieuw zelfstandige rijkjes te stichten. Tiglat-pileser I (1115-1077 v.Chr.) herstelde voor korte tijd de Assyrische macht en marcheerde met zijn legers tot diep in Anatoli en, westwaarts, tot aan de Middellandse Zee waar belangrijke Fenicische steden als Byblos en Sidon onderworpen werden. De voortdurende invallen van de nomadische Arameers, tot diep in het Assyrische thuisland, dwongen Assyri echter tot de terugtocht.

In Anatoli tenslotte stortte omstreeks 1180 v.Chr. het Hettitische grootrijk in. In Noordwest-Syri en het aangrenzende Turkse heuvelland, al sinds de late veertiende eeuw bestuurd door Hettitische onderkoningen, vond evenwel een nabloei plaats en ontstonden talrijke stadstaatjes, zoals Karkemish (het huidige Cerablus), Melid (Arslantepe) en Samal (Zincirli). Deze neo-Hettitische rijkjes handhaafden zich tot ongeveer 700 v.Chr. Befaamd zijn vooral de monumentale beeldhouwwerken en relifs uit deze periode.

4.3. Het eerste millennium v.Chr.

In de negende eeuw v.Chr. kwam in Assyri een einde aan de periode van zwakte en verval, en groeide het rijk opnieuw uit tot een wereldmacht. Grote militaire campagnes werden ondernomen en eeuwenlang domineerde dit Nieuw-Assyrische rijk het politieke toneel. Koningen als Assur-nasirpal II (883-859 v.Chr.) en Shalmaneser III (858-824 v.Chr.) herstelden grotendeels de oude grenzen, zij het met de nodige strijd. Na de duistere periode volgend op de inval van de Zeevolkeren waren in Syri en de Levant de neo-Hettitische staatjes, de Aramese vorstendommetjes zoals Damascus en Hama en, langs de kust, de Fenicische steden Sidon, Tyrus en Byblos tot grote bloei gekomen. Vooral de Aramese vorsten, en met name de machtige dynastie van Damascus, verzetten zich heftig tegen de Assyrische expansie. Hoge tributen moesten bij verzet echter aan Assyri worden afgedragen, iets wat vooral de Fenicische steden ertoe dreef zich in naam te onderwerpen. Daar de Assyrirs bovendien, uit eigenbelang, niet of nauwelijks de economische structuur aantastten, konden deze steden de grote welvaart, ontleend aan hun uitgebreide handel met de wereld rondom de Middellandse Zee, handhaven en uitbouwen. Tiglat-pileser III (745-727 v.Chr.) bracht de Syrische stadstaatjes uiteindelijk onder directe Assyrische heerschappij: in 740 v.Chr. viel Arpad en kort daarna, in 732 v.Chr., Damascus. Assyrische gouverneurs werden aangesteld en grote bevolkingsgroepen werden weggevoerd naar de randgebieden van het rijk.

Ook elders waren de Assyrische koningen tot voortdurende strijd gedwongen. In Anatoli ontstond in de negende eeuw v.Chr. het koninkrijk Urartu, dat zich onder de koningen Menua en Argisti I uitstrekte over Transkaukasi, West-Iran en, in het zuidwesten, over het heuvelland tot aan de Eufraat. In 714 v.Chr. trok Tiglat-pilesers opvolger Sargon II dwars door Urartu en versloeg zijn tegenstander Rusa I. In het oosten en zuidoosten, in het bergland van Iran, diende strijd geleverd te worden met de Elamieten en de talrijke nomadenstammen. Assyrische legers doorkruisten en bezetten grote delen van Luristan, een gebied waar tussen 1000-600 v.Chr. de bewerking van metalen een zeer hoge vlucht nam. De beroemde bronscultuur van Luristan, vooral bekend van de talrijke vondsten in graven, kan het werk van nomaden geweest zijn; permanente nederzettingen lijken in deze tijd in het bergland vrijwel te ontbreken.

Ook Babylon in het zuiden bezorgde de Assyrirs onophoudelijk hoofdbrekens. Sargons zoon Sanherib huwde met een Babylonische prinses teneinde Babylon aan Assyri te binden en benoemde later, na vele strubbelingen en diverse vazalverdragen, zijn kroonprins Assur-nadin-shummi als gouverneur van Babylon. Lokale Babylonische vorsten deden echter bij herhaling een greep naar de macht, daarbij ondersteund door de Elamieten. In 694 v.Chr. kwam Assur-nadin-shummi om het leven bij een nieuwe inval van de Elamieten en een opstand van Chaldeeuwse stammen. Sanheribs geduld met Babylon was op en in 689 v.Chr. verwoestte hij de stad.

Babylon werd onder Esarhaddon, koning van Assyri na de moord op zijn vader Sanherib in 681 v.Chr., herbouwd. In dezelfde lijn als zijn illustere voorgangers leverde Esarhaddon strijd in de vele gewesten van Assyri. Revoltes in de kuststeden aan de Middellandse Zee voerden Esarhaddon naar het westen en uiteindelijk naar Egypte, dat in 671 v.Chr. (de val van Memphis) veroverd werd. Na een laatste bloeitijd onder Esarhaddons zoon en troonopvolger Assur-banipal ging het bergafwaarts met Assyri. In 625 v.Chr. vestigde de Chaldeer Nabopolassar een dynastie in Babylon en herkreeg de stad haar zelfstandigheid. Uiteindelijk brachten de Babylonirs, in een monsterverbond met de Meden en Scythen, Assyri ten val: in 614 v.Chr. viel Assur en in 612 v.Chr. werd het prachtige Ninive verwoest. Het Assyrische koningshuis vluchtte naar Harran, gelegen nabij de moderne stad Urfa in Zuidoost-Turkije. Bij Karkemish aan de Eufraat werd in 605 v.Chr. de laatste slag geleverd: een Egyptisch leger, nu aan de zijde van Assyri, werd vernietigend verslagen door de Babylonirs onder leiding van Nabopolassars zoon en troonopvolger Nebukadnezar.

In het daaropvolgende jaar besteeg Nebukadnezar de troon in Babylon. In de 43 jaar dat hij regeerde, bereikte Babylon een ongekende bloei. Een dubbele stadsmuur met tientallen torens werd aangelegd, de Ishtarpoort en de Processieweg werden voorzien van faades van geglazuurde tichels met leeuwen en monsters, enorme tempels en paleizen werden gebouwd en de hangende tuinen golden al in de Griekse wereld als een van de zeven wereldwonderen. In de ogen van tijdgenoten was Babylon van eenzelfde pracht en praal als het Assyrische rijk. Nebukadnezar legde zijn bouwactiviteiten gedetailleerd vast in allerlei oorkonden, zoals op de cylinder met inscripties opgesteld ter gelegenheid van de herbouw van de tempel van Lugal-Maradda, de stadsgod van Marad.

Ten tijde van Nebukadnezar lijkt het Nabije Oosten een zekere rust gekend te hebben, al moest de koning herhaaldelijk optreden tegen de stadstaten in Syri en de Levant. Tyrus aan de kust werd dertien jaar lang belegerd, en bracht uiteindelijk een rijke buit. In 597 v.Chr. viel Jeruzalem, en bij een tweede Joodse opstand in 586 v.Chr. werd de stad volledig verwoest, haar koning Zedekiah de ogen uitgestoken en de Joodse bevolking naar Babyloni gedeporteerd.

Met de dood van Nebukadnezar in 562 v.Chr. ving een successie aan van zwakke vorsten, die elk slechts korte tijd regeerden. De zwakte van Babylon trok de aandacht van het opkomende Perzische rijk. In 539 v.Chr. drongen de Perzische legers Mesopotami binnen, nadat zij enkele jaren eerder al Anatoli onder de voet hadden gelopen. Koning Nabonidus sloeg op de vlucht en zonder slag of stoot marcheerde Cyrus de Grote, uit het vorstenhuis der Achaemeniden, in 539 v.Chr. Babylon binnen. Het land werd ingelijfd bij het grote Perzische rijk; daarmee kwam een einde aan het autonome karakter van Mesopotami.

Ruim twee eeuwen werd het politieke toneel in het Nabije Oosten gedomineerd door het Perzische rijk, dat onder de koningen Darius I (521-485 v.Chr.) en Xerxes I (485-465 v.Chr.) zijn grootste omvang bereikte en zich nu uitstrekte van Egypte in het westen tot Afghanistan in het oosten. Uiteindelijk waren het de Griekse legers van Alexander de Grote die in 331 v.Chr. een einde aan de macht van de Achaemenidische dynastie maakten en het Nabije Oosten onder Grieks bestuur plaatsten. Het Griekse streven naar n rijk met n universele cultuur (het Hellenisme) kwam echter spoedig tot een einde, toen Alexander in 323 v.Chr. op jonge leeftijd stierf en er heftige strijd ontbrandde tussen zijn generaals om de opvolging. Seleucus slaagde er uiteindelijk in de macht te grijpen en een eigen dynastie te vestigen, de Seleuciden. In het oosten, in de provincie Parthava/Parthi, drong evenwel omstreeks 240 v.Chr. een ruitervolk binnen, dat in snel tempo het Nabije Oosten zou gaan domineren: de Parthen. In de tweede en vroege eerste eeuw v.Chr. breidden de Parthen hun rijk fors uit en werden zij geduchte concurrenten van de Romeinen. In 53 v.Chr., in de slag bij Carrhae in Noord-Syri, werd de Romein Crassus in de pan gehakt door een Parthisch leger en kwam er een einde aan de Romeinse drang naar expansie in het oosten. De Eufraat in Syri werd min of meer de grenslijn tussen de beide machten. Tot in de zevende eeuw na Chr. zouden de Parthen en (na het midden van de derde eeuw) hun Sassanidische opvolgers in het oosten en de Romeinen in het westen de ontwikkeling van het Nabije Oosten bepalen. In cultureel opzicht vond een integratie plaats van lokale tradities, Parthische ideen, en invloeden uit de Grieks-Romeinse wereld, zoals onder andere tot uitdrukking wordt gebracht in het fraaie beeldhouwwerk van Palmyra, de stad van koningin Zenobia, gelegen in een oase in de Syrische woestijn.

Een beslissende omwenteling tenslotte, vond plaats met het oprukken van de Arabieren in de zevende eeuw. In luttele jaren werd het Nabije Oosten aan de Islam onderworpen: de grondvesten voor de moderne Mohammedaanse wereld waren gelegd.

De voorwerpen | Relevante voorwerpen

Bezoek ons: